Speelbal van andermans trauma

Theodor Holman: Tjon. Nijgh & Van Ditmar. 224 blz. € 17,50

In zijn autobiografische verhaal Familiefeest (1992) gaf Theodor Holman een indruk van de gevoelsverwarring waaraan hij en zijn familie ten prooi waren toen vader Holman net was overleden. De dagen voor de crematie brachten moeder, broers en zus samen door. Nu eens waren ze boos, dan weer opgelucht of verdrietig. ‘Ik hou van je, klootzak’, zo vatte de oudste zoon de kwestie kort samen. Wat hóórden ze eigenlijk te voelen? Moesten ze hem kwalijk nemen dat hij bijna nooit iets had verteld, maar hen wel had opgezadeld met zijn jappenkamptrauma? Of verdiende hij postuum hun onvoorwaardelijke liefde om alles wat hij had doorstaan? Het aardige van Familiefeest was de luchtige, enigszins spottende toon waarop het tweede-generatieprobleem aan de orde werd gesteld.

Een soortgelijke gevoelsverwarring ligt ook ten grondslag aan de roman Tjon, over een opgroeiende Amsterdamse jongen, in de jaren zestig van de vorige eeuw. Een verzonnen verhaal dus deze keer, al heeft Tjon, net als Holman, een Indische achtergrond. Verder is het veel zwaarder aangezet dan Familiefeest en valt er eigenlijk niets te lachen. Tjon en zijn vier jaar oudere broer Joost gaan gebukt onder het kampverleden van hun ouders, waarover nooit gesproken wordt. Vader Van Heemst is opgenomen in een psychiatrische inrichting en pleegt al gauw zelfmoord. De pesterige Joost, die elke gelegenheid aangrijpt om zijn broertje bang te maken of te vernederen, belandt op zeker moment in de gevangenis. Moeder Van Heemst smoort haar jongste zoon bijna onder haar goede zorgen, maar heeft geen oog voor zijn zielennood. De dertienjarige Tjon gaat zich dan ook steeds vreemder gedragen. Hij weet zich geen houding te geven tegenover zijn leeftijdsgenoten, die hij intimideert en bedreigt, hoewel hij juist vriendschap wil sluiten.

Omdat zijn ouders hem bijna niets vertellen, sprokkelt hij uit wat hij toevallig opvangt zijn eigen oorlogsverhaal bij elkaar, met kampcommandanten, martelingen, gaskamers, wrede Japanners en Duitsers, verraders en bevrijders. De ene keer vereenzelvigt hij zich met de slachtoffers, de andere keer waant hij zich een soort kampbeul, of een wrekende God: ‘Ik moest straffen...’, denkt hij dan. ‘Ik moest mensen straffen die schuldig waren.’ Dat dit moet uitlopen op een catastrofe, is vanaf de eerste bladzij duidelijk. We hoeven ook niet lang te zoeken naar de mededeling die Holman met zijn roman wil doen: de arme Tjon heeft het onverwerkte oorlogstrauma van zijn ouders overgenomen. Hij is de speelbal van andermans onderdrukte gevoelens. Zo ontwikkelt hij zich tot een gespleten persoonlijkheid: half kleuter, half puber. Maar ook: half beest, half mens. Hij hoort stemmen die hem instructies geven. Hij past zich niet aan. Hij kastijdt zichzelf.

Holman laat geen middel onbeproefd om te laten uitkomen hoezeer zijn hoofdpersoon afwijkt. Tjon is motorisch gestoord, leesblind, klein, dik, gebrild en handtastelijk en moet, tussen het roken van gestolen sigaretten door, om de haverklap poepen, plassen of overgeven, meestal op daartoe niet geëigende plekken of momenten. Het valt niet mee om sympathie of medelijden op te brengen voor deze patiënt, van wie we weinig hoogte krijgen en die praat en denkt in korte zinnen zonder kraak of smaak. Als er een uitnodiging in de bus is gevallen voor de verjaardag van een vroeger buurmeisje, dan gaat dat zo: ‘Ik hoorde mamma thuiskomen. Joost zou haar vertellen dat ik een brief had gehad. Zij zou ernaar vragen. Ik moest vertellen over de verjaardag. Ik moest er misschien heen! Ik zou dat weigeren.’

Het is overigens niet eens zozeer deze kinderboekstijl die afbreuk doet aan de roman. Het probleem zit vooral in de ongeloofwaardige tegenstellingen. De dertienjarige held is motorisch gezien niet in staat om in een wc-pot plassen (hij plast er dus voortdurend links en rechts overheen), maar hij is wel weer handig genoeg om een dodelijke val op te zetten met een ingenieuze constructie van prikkeldraad en elektriciteitssnoer. Al even eigenaardig is de tegenstelling tussen een ik-figuur die het spoor helemaal bijster is en de gekste dingen doet, maar die wel in staat blijkt te zijn om coherent weer te geven wat anderen over hem zeggen en bekokstoven.

Er gebeurt veel in Tjon, dat wel. Het is zelfs één groot drama: zelfmoord, moord, gevangenschap, schizofrenie, en dit alles overgoten met een dikke saus van poep, pies en braaksel. Het is net iets meer dan schrijver en lezer kunnen behappen.