Samen dichten, samen denken

Theodore Ziolkowski: Vorboten der Moderne. Eine Kulturgeschichte der Frühromantik. Klett-Cotta. 282 blz. €22,50

Hoewel beide boeken in hetzelfde jaar (1799) werden gepubliceerd, springen in eerste instantie vooral de verschillen in het oog tussen Friedrich Schlegels Lucinde en Friedrich Schleiermachers Reden über die Religion. Dat is ook niet zo gek, want in het ene geval gaat het om een experimentele liefdesroman, die bij verschijnen door velen ‘schandalig’ werd geacht, in het andere geval om een pleidooi voor de religie in vijf doorwrochte toespraken, gericht aan ‘de ontwikkelden onder haar verachters’. Dat er overeenkomsten bestaan dringt pas door als je beide teksten zorgvuldig met elkaar vergelijkt.

Het doel van de liefde is ‘intensieve oneindigheid’, schrijft Schlegel, terwijl Schleiermacher religie een ‘zin en voorkeur voor het oneindige’ noemt. Beiden prijzen de ‘heilige stilte’ waardoor de ‘fantasie’ wordt bevrijd, die bij Schlegel de hele roman inspireert, bij Schleiermacher het geloof in God. Nauw hiermee verbonden is de ‘chaos’, voor de een het ‘hoogste zinnebeeld van de religie’, voor de ander de ‘sublieme’ eigenschap van de natuur. Schleiermacher ziet priesters als de noodzakelijke ‘bemiddelaars’ tussen de mens en het goddelijke, bij Schlegel is Lucinde als ‘hogespriesteres’ van de liefde degene die voor haar Julius bemiddelt tussen zijn ‘verbrokkelde ik’ en de ‘ondeelbare eeuwige mensheid’.

De overeenkomsten zijn niet toevallig, zo blijkt. Want toen Schleiermacher en Schlegel hun boeken schreven, zagen zij elkaar dagelijks in Berlijn. Bijna anderhalf jaar deelden zij zelfs een woning, al zat Schlegel ook vaak bij zijn geliefde Dorothea Veit. Zij was ‘Lucinde’, de titelheldin van de (autobiografische) roman, die niet in de laatste plaats zo schandalig werd gevonden omdat zij op dat moment nog getrouwd was met een ander. Een van de weinigen die publiekelijk voor Schlegel in het krijt traden, was Schleiermacher, met zijn in 1800 verschenen Vertraute Briefe über Schlegels Lucinde. Schlegel, op zijn beurt, recenseerde de Reden van zijn vriend in Athenäum, het tijdschrift waarvan hij samen met zijn oudere broer August Wilhelm de redactie voerde.

Athenäum was hét tijdschrift van de Duitse Frühromantik, waartoe verder ook Novalis, Tieck en Schelling worden gerekend, en niet te vergeten de ravissante Caroline, een hoogleraarsdochter uit Göttingen, die met August Wilhelm Schlegel was getrouwd nadat hij haar gered had uit de gevangenis waarin zij in 1793 – vanwege haar escapades in het revolutionaire, door de Fransen bezette Mainz – was opgesloten.

De Frühromantik geloofde in ‘Sympoesie’ en ‘Symphilosophie’ – samen filosoferen, samen gedichten schrijven, waarbij de een de ander aanvult. Hoe dat concreet in zijn werk kon gaan, zoals bij Schlegel en Schleiermacher, wordt mooi uit de doeken gedaan door Theodore Ziolkowski, oud-hoogleraar Duits en Literatuurwetenschap aan de universiteit van Princeton, in Vorboten der Moderne. Eine Kulturgeschichte der Frühromantik. Bij hem geen nieuwe interpretaties (hoewel een aantal sleutelteksten minutieus wordt besproken), maar een levendige beschrijving van het hechte sociale netwerk dat deze vroege romantici vormden met elkaar. En – op iets meer afstand – met hevig bewonderde grootheden als Fichte en Goethe of met een jongere bewonderaar als Clemens Brentano, destijds student medicijnen in Jena.

Gewoonlijk wordt de Frühromantik met Jena geassocieerd, de kleine universiteitsstad vlakbij Weimar. Terecht, want in Jena woonden August Wilhelm Schlegel en Caroline, Schelling doceerde er en Friedrich Schlegel had er een tijdje gelogeerd voordat hij eind juli 1797 naar Berlijn was vertrokken. In september 1799 kwam hij weer terug, samen met zijn Dorothea, die inmiddels officieel gescheiden was van haar man. Maar de connectie met Berlijn werd niet geheel verbroken. Friedrich Schleiermacher bleef achter in de Pruisische Hoofdstad, en het was bij een Berlijnse uitgever dat Athenäum werd uitgegeven – het laatste nummer in de zomer van 1800.

Het loont de moeite om je in dit soort concrete gegevens te verdiepen, niet alleen vanwege de soms vermakelijke anekdotes, maar ook omdat het werk erdoor meer reliëf krijgt. Niets voor niets waren deze romantici erop uit leven en letteren met elkaar te laten versmelten. Poëzie was voor hen altijd óók een manier van leven. Heel goed laat Ziolkowski bijvoorbeeld zien hoe uit een grondig bezoek in de zomer van 1798 aan de kunstgalerijen van Dresden een dialoog (tussen twee mannen en een vrouw) als ‘Die Gemählden’ is voortgekomen, gepubliceerd in Athenäum en geschreven door August Wilhelm Schlegel, maar mede geïnspireerd door Friedrich en Caroline die we ongetwijfeld als de twee andere gesprekspartners mogen identificeren.

Iemand die hen dagelijks in het Zwinger zag rondlopen, schreef in brief aan een vriendin: ‘Ze schreven en doceerden dat het een lust had. Mijzelf kwam ik vaak echt armzalig voor, dat ik toch zo ver verwijderd was van alle wijsheid dat ik die van hen maar niet kon begrijpen […] Ook Fichte wijdden ze in de geheimen van de kunst in. Je had moeten lachen, lieve Lotte, als je de Schlegels met hem had gezien, hoe ze hem rond sleepten en hem met hun overtuigingen bestormden’. De vileine ondertoon is moeilijk over het hoofd te zien, maar leest een tekst als ‘Die Gemählden’ hierna toch anders.

In Jena begonnen de gebroeders Schlegel en hun vrouwen een gezamenlijk huishouden, ook al heeft Dorothea het in een van haar brieven over een ‘republiek met louter despoten’. Dat wil zeggen: iedereen zat het merendeel van de tijd op zijn of haar kamer te werken. Maar ’s avonds werd er onder leiding van Friedrich collectief Dante gelezen, en in een brief van Caroline vernemen we dat iedereen bijna van zijn of haar stoel was gevallen van het lachen, toen het gedicht ‘Das Lied der Glöcke’ van Schiller (met wie men in onmin verkeerde) werd voorgedragen.

In november 1799 waren een paar dagen lang alle Frühromantiker in huize Schlegel verenigd. Novalis las er zijn beroemde Europa-rede voor, Tieck het eerste deel van zijn ‘middeleeuwse’ drama Leben und Tod der heilige Genoveva. En een echo van dit ‘Romantikertreffen’, maar ook van de vele discussies die op andere dagen moeten hebben plaatsgehad, valt te beluisteren in de poëticale summa van de Frühromantik, Friedrich Schlegels Gespräch über die Poesie, dat werd gepubliceerd in de twee laatste afleveringen van Athenäum.

De conversatie wordt afgewisseld met enkele referaten, waarvan de Rede über die Mythologie de meeste aandacht heeft getrokken. Het daarin geuite verlangen naar een ‘nieuwe mythologie’ verraadt de enorme ambitie waardoor deze romantici werden gedreven. De mensheid moest ‘ten onder gaan’ of ‘zich verjongen’, meende Schlegel, en zo’n nieuwe mythologie kon ertoe bijdragen dat het laatste zou gebeuren. Een mythologie die ‘uit de diepste diepten van de geest’ tevoorschijn moest worden getoverd en die alle oude en nieuwe kennis van de wereld zou omvatten. Dankzij de poëzie (want mythologie en poëzie zijn ‘eins und unzertrennlich’) zou de wereld een nieuw aanschijn krijgen.

Ongeveer hetzelfde drukte Novalis uit in zijn bekende uitspraak dat de wereld, om haar verloren ‘zin’ weer terug te vinden, ‘geromantiseerd’ moest worden – een programma dat tot diep in de 20ste eeuw schrijvers, dichters en kunstenaars zou blijven bezighouden. Door de romantici van de Jena-kring werd het voor het eerst onder woorden gebracht, met een ‘religieuze’ geestdrift die het nodige aan Schleiermachers door iedereen bewonderde Reden had ontleend.

Zoveel uitbundige ambitie en hoogdravendheid vragen er natuurlijk om gerelativeerd te worden. Ziolkowski stelt wat dit betreft niet teleur: gelukkig niet door het poëtisch enthousiasme te ontkennen, maar door het naderhand nogal geïdealiseerde beeld te confronteren met de soms minder verheffende werkelijkheid, zoals de liefdesaffaire tussen Caroline en de twaalf jaar jongere Schelling, die er mede voor zorgde dat al lang voordat haar huwelijk met August Wilhelm Schlegel werd ontbonden aan het romantische samenzijn in Jena een eind kwam.

Rectificatie / Gerectificeerd

De illustratie bij ‘Samen dichten samen denken’ (Boeken 30.03.07) stelt de inwoners van Jena rond 1800 voor als halve zolen. De prent toont in feite Berlijners, die op of direct na 17 oktober 1806 het bericht van de Pruisische nederlaag bij Jena -Auerstedt tot zich door laten dringen. De getoonde emotie is dus wel te begrijpen. Ik stel voor dat u wijlen de inwoners van Jena publiekelijk rehabiliteert, zonder dat overigens ten koste te laten gaan van die van Berlijn, want die hebben dat als loon voor de getoonde schrik al evenmin verdiend.

M. van Driel