Pitlo omstreden

In zijn recensie van Sans egárds, over de hoogleraar privaatrecht Adriaan Pitlo verwijt Reinjan Mulder de auteur, de jurist en historicus Joggli Meihuizen, slordig onderzoek (Boeken, 23-3-2007). Meihuizen zou onterecht de suggestie wekken dat Pitlo’s houding tegenover joden, met name de jurist en hoogleraar Carel Polak, maar ook andere joodse hoogleraren in de juridische wereld, mede ingegeven werd door antisemitisme. Pitlo, stelt Mulder, was tegenover niet-joden minstens zo hard, gevoelloos en cynisch als tegenover zijn joodse collega’s. Hij was nu eenmaal verzot op spelletjes, ‘maar wie die spelletjes wist te waarderen, kon steeds op zijn warme waardering rekenen’.

Pitlo van antisemitisme vrij te pleiten, is kortzichtig. Pitlo was geen antisemiet in de zin dat hij zich, voor, tijdens of na de Tweede Wereldoorlog, aansloot bij een partij of groepering die vond dat de macht van ‘de joden’ beknot diende te worden. Dat neemt niet weg dat hij zich bediende van het instrumentarium dat aan antisemitisme (en racisme) kleeft: stereotypen, generalisaties en het mechanisme van de collectieve aansprakelijkheid. Pitlo deed dat niet alleen in uitspraken over ‘de Joden’ tegenover vrienden en collega’s, maar ook in interviews en in zijn memoires. Zijn memoires afdoen als de vergeeflijke zonde van een oude man is nonsens. Die memoires behelzen het gestold gedachtegoed dat Pitlo al jaren aanhing. Niet alleen vormen zijn uitspraken over de ‘jodenkwestie’ een consistent geheel met zijn uitlatingen uit een eerder interview, zij sluiten naadloos aan bij categorieën antisemitische stereotypen die, voortbouwend op eeuwenoude anti-joodse vooroordelen, tijdens en direct na de oorlog naar buiten barstten. Ik noem drie voorbeelden, afkomstig uit Meihuizens boek.

Pitlo is het prototype van de ‘bewariër’, die vond dat joodse overlevenden zich na hun terugkeer ondankbaar, onbetrouwbaar en veel te materialistisch betoonden. Pitlo zelf had een koffer in huis van een joodse collega die hem, zo schrijft hij, tot zijn grote verontwaardiging nooit verteld zou hebben dat die koffer, behalve kleding, ook juwelen bevatte. Pitlo’s verhaal past in dat van veel andere geruchten over joodse onderduikers die geld voor hun onderduikgevers achtergehouden zouden hebben, en na de bevrijding achter hun bezit aanjaagden zonder rekening te houden met degenen die ten bate van hen zoveel geriskeerd hadden. Deze joden hadden de hulp die hun geboden was, misbruikt, schreef Pitlo. Het antisemitisme na de bevrijding was daarom ‘niet de schuld van Hitler, maar de schuld van de Joden zelf’. Dergelijke beschuldigingen berustten veelal op projectie. Het eigen verlangen bezittingen te behouden, de eigen vrees voor materieel verlies in de schaarstesamenleving van direct na de oorlog, werden geprojecteerd op ‘de jood’: de materialistisch ingestelde, sluwe handelsjood van eeuwen her, die nu, letterlijk en figuurlijk, als een herrezen Shylock zijn bankbiljetten opgroef. Ook op een ander niveau keert het stereotype van de ‘ondankbare jood’ bij Pitlo terug. Tijdens de Duitse bezetting verscheen een door Carel Polak geschreven commentaar op het Burgerlijk Wetboek onder Pitlo’s naam. Dat gebeurde met Polaks toestemming maar onder de voorwaarde dat een rectificatie zou plaatsvinden na de bevrijding. Dat Pitlo daar zo langmee wachtte, nam Polak hem uitermate kwalijk. Pitlo echter vond dat hij van Polak ‘stank voor dank’ kreeg: een typisch geval van blaming the victim.

Tot slot: na de bevrijding ontstond ook het verschijnsel van de (gojse) nijd ten opzichte van het ‘ultieme slachtoffer’: de jood. Die werd ervan beschuldigd het (oorlogs)leed te monopoliseren terwijl men als niet-jood toch ook veel misère achter de rug had. Opnieuw een antisemitisch stereotype met een materialistische dimensie, dat van de jood die zijn leed te gelde maakt. Ook Pitlo wist zich niet aan deze anti-joodse denktrant te onttrekken. Toen de (joodse) jurist, de hoogleraar A. Belinfante na de Maagdenhuisaffaire in 1969 aftrad als rector magnificus, zei Pitlo tegen een promovendus: ‘Belinfante kreeg een KZ-syndroom, zeker om een uitkering te krijgen’.

Pitlo moet een charismatisch man geweest zijn, en men had – en heeft – er kennelijk wat voor over om blijvend het voorrecht te genieten van zijn ‘warme waardering’. Dus behoort, als we Reinjan Mulder moeten geloven, het gebruik van antisemitische stereotypen tot het domein van provocaties en (toneel)spelletjes.

Evelien Gans, bijzonder hoogleraar moderne joodse geschiedenis aan de UvA; wetenschappelijk onderzoeker bij het NIOD.