Pinda’s in de sneeuw

Zanger en theatermaker Daniel Samkalden (27) besteedt het geld dat hij won met De Eerste Prijs aan een reis langs vier wereldsteden. Voor het Cultureel Supplement doet hij verslag. Vandaag de tweede etappe: New York.

Brandon ligt uit American Idols. Dat is een schok. Voor Brandon en voor het land. Met een theatraal gemak gaat Brandon binnen een minuut door ontgoocheling, teleurstelling en verdriet. Welhaast voordat hij aan acceptatie, dankbaarheid en onverzettelijk geloof in zichzelf is toegekomen wordt de muziek ingezet en zingt hij nog één keer in schizofrene tranen het liedje waarmee hij zich eerder heeft geblameerd.

Op het dak van het gebouw van mijn appartement zit een sportschool. Het wordt me ook niet moeilijk gemaakt. Op de fiets kan ik op het schermpje dat me vertelt hoeveel calorieën ik verbrand ook tv kijken. Zo verdiep ik me, terwijl ik aan mijn conditie werk, in de Amerikaanse cultuur. Op 86 zenders worden tuinen omgespit, kinderen opgevoed, echtgenoten in therapie genomen, rimpels dichtgesmeerd en meubels verschoven. Aan het eind van de aflevering – als ik volgens de computer nog geen 5 mijl heb afgelegd – is de familie in harmonie: de man is monogaam, de puber voorgoed van de ritalin, de moeder een lekker wijf en de tuin heeft een vijver. De Amerikaanse Droom heeft tegenwoordig meer weg van een REM-slaap.

Zo nu en dan werp ik

een blik naar buiten. Op de skyline van New York. Het is een strakblauwe ochtend. 't Is jammer dat ik vroeg of laat moe word, stop met trappen en de tv dan wordt ingewisseld voor een uitgebreid overzicht van mijn trainingsgegevens.

Ik moet vandaag naar het museum. Ik moet, want het doel van de prijs is dat ik 'm besteed aan mijn ontwikkeling, benadrukte de sponsor na het lezen van mijn vorige stukje uit Buenos Aires. Dus sleep ik mezelf vanochtend naar het museum. Na een bezoek aan het stoombad.

Op de hoek van mijn straat zit de eerste Starbucks Coffee. „Next time take your friends with you. It’s goin’ to be great! I’m absolutely sure!” zegt het meisje achter de kassa. Ik verbaas me al niet meer over zulke uitbundige ongegeneerde commerciële beleefdheid. Op vrijdagmiddag word je op straat teruggeroepen als ze vergeten zijn je een fantastisch weekend te wensen. Het is overigens niet de bedoeling dat je er verder op ingaat. Er staan andere klanten te wachten. Ik drink geen koffie, Starbucks serveert ook thee. Kokendhete thee in bekers van een halve liter.

In elke hoek hangt een breedbeeld-tv. In New York heb je altijd iets te kijken. Het is deze week vier jaar geleden dat de Verenigde Staten Irak binnenvielen. Met de uitschakeling van Brandon domineert dat het nieuws. Bush zegt terwijl ik op mijn thee blaas dat we het karwei moeten afmaken. Het is onze plicht te bouwen aan een democratie. In Irak. In Afghanistan. Een duurzame democratie. „...democracy...democracy...democracy...” klinkt het door de Starbucks. Bush was zelf helemaal nooit aan de macht gekomen als Amerika een democratie had gehad in plaats van kiesmannen.

Fox News vraagt de kijker of het terecht is dat Brandon is weggestuurd. 76 procent van het Amerikaanse volk is het ermee oneens dat de meerderheid van het Amerikaanse volk Brandon heeft weggestuurd. Ik zit inmiddels in de Starbucks aan de overkant.

Wij, Europeanen, hebben Bush

nooit serieus genomen. Hij was nog geen president of er gingen foto’s rond van apen die wel erg veel gelijke gelaatstrekken hadden. Sindsdien kan ik niet geconcentreerd naar hem luisteren. Ook nu niet. Ik zie een aap. Toch werd hij herkozen. Onbegrijpelijk, vond ik. Inmiddels is Balkenende aan z'n vierde kabinet begonnen.

Tussen de 30ste en de 34ste straat, moet ik een behoorlijk stukje lopen; er is een Starbucks gesloten wegens omstandigheden. Ik baan mij een weg door de sneeuw. Eergisteren was het 22 graden. Gister werd de stad geteisterd door een sneeuwstorm en vandaag is het ijskoud, kraakhelder en is alles bedekt met een witte deken. Elke dag een nieuw decor voor een film, een comedy of een dramaserie. Mijn buik klotst. Ik kwam twee keer eerder in New York. Twee keer met mijn vader. Hier alleen terug te komen voelt soms als een voorbarige oefening in rouwverwerking. Ik houd herinneringen en verwachtingen het liefste in een wurggreep. Het lukt me maar niet de stad net zo overweldigend te vinden als toen. Ik word melancholisch van thee.

Mijn eerste vriendinnetje zette altijd thee, op de momenten dat ik me eigenlijk wilde bezatten. Er heeft zich in die tijd een latent verdriet in mij genesteld. Als ik thee drink speelt het op.

Ik begin een goed inzicht te krijgen in de bedrijfscultuur van de Starbucks. Naast dikke meisjes werken er vooral homoseksuele zwarten in verveelde paniek achter de toonbank. Het is druk. Het is een komen en gaan van mensen. New Yorkers zijn altijd op weg. Op weg naar iets belangrijks. Ik ook. Ik ben op weg naar het museum. Ik vraag me af of ik straks nog wel genoeg geld heb voor een kaartje.

Het optreden van Brandon en Bush

wordt tot laat in de middag van vele kanten in vele Starbucksen belicht. De Amerikanen zijn allang niet meer voor de oorlog. Iedereen is inmiddels tegen. Niet zozeer uit schaamte of uit herwonnen inzicht. Meer uit ongeduld. Ze zijn de oorlog begonnen zoals ze een nieuw dieet omarmen. Nu hebben ze er schoon genoeg van.

Het laatste stuk loop ik door het besneeuwde park. Daar is geen Starbucks. Nog niet. In het Central Park wemelt het van de eekhoorns; zoals in het Vondelpark sinds een paar jaar gifgroene, tropische vogels in de bomen zitten. Alhoewel ik Disney ervan verdenk de beestjes uit commerciële motieven te hebben uitgezet, maken ze een diepe affectie in me los. Zo gaat dat in Amerika. Alles wordt buiten je principes om geregeld.

Met het museum in zicht begin ik te rennen. Ik heb geen idee hoe laat het is. Ik ren de brede, kolossale trappen op.

De consumptiemaatschappij krijgt de kunst er niet onder. Ik heb het gered. Het museum is nog open. Nog een kwartier. Dat is de moeite niet. Zonde van mijn geld. Ik ga zitten op een zeldzaam rustig plekje. Onder mijn bankje liggen pinda's in de sneeuw. Ik probeer roerloos te werken aan een aura van vertrouwen. De eerste schichtige eekhoorns stuiven weg als ik hap naar onmisbare adem. Dan nadert een eekhoorn met een dikke kop en een rafelige staart. Hij inspecteert de noten, springt op de leuning van het bankje, strekt zich, ruikt aan mijn haar, springt terug in de sneeuw, pakt een pinda, springt weer op het bankje en knabbelt naast mij aan zijn noot. Als hij klaar is, blijft hij zitten. Instemmend. Het wordt donker en kouder. Ik verroer me niet. In de liefde durf ik me niet te binden, maar als er een eekhoorn naast me komt zitten, sta ik niet meer op.

Volgende maand is Daniël Samkalden in Tokio.