Palmen geeft Schat zijn hemel terug

Wie Harry Mulisch’ ‘De ontdekking van de hemel’ naast Connie Palmens ‘Lucifer’ legt, merkt talloze overeenkomsten op.

Ik betwijfel of Connie Palmens Lucifer interessant is voor mensen die nog nooit hebben gehoord van Peter Schat, Harry Mulisch, de opera Reconstructie en de roman De ontdekking van de hemel. Arjen Fortuin adviseerde het boek niet als sleutelroman te lezen, maar als ‘zuivere’ fictie. Maar zonder de sleutel, de verwijzingen naar personen en hun artistieke producties, is er minder aan te beleven. Palmen bouwt voort op de roman van Mulisch waarin Lucifer uit Vondels gelijknamige tragedie een pact is aangegaan met Francis Bacon, met als doel de hemel te ontdekken en daarmee te vernietigen.

Critici van Palmen betogen dat zij karaktermoord pleegt op de componist Peter Schat, in het boek de hoofdpersoon Lucas Loos. Volgens mij moet je Lucifer totaal anders opvatten. Wél als een sleutelroman, maar niet als een literaire vorm van wat doorgaans in tijdschriften als Privé staat. Het is een gewetensvol onderzoek naar de drijfveren van Schat, een literaire reconstructie van de verhouding tussen de componist en zijn literaire tijdgenoot Harry Mulisch, hun kunstenaarschap, hun hoogmoed en hun obsessies.

Lucifer is geen eliminatie van de betekenis van Peter Schats oeuvre, Palmen herstelt in deze literaire verkenning juist de reputatie van de componist, die door zijn vroegere geestverwanten Otto Griffioen (Hein Donner), Aaron Keller (Harry Mulisch) en hun vriendenclub was afgebroken. Een voorbeeld. Op pagina 317 laat ze één van de leden van ‘De Tafel’(de Herenclub) zeggen: ‘Hij (Lucas alias Schat) heeft Aaron (Mulisch) zelfs van plagiaat beschuldigd en zei dat hij de hemel van hem heeft gestolen’. Dat lijkt kwaadsprekerij over Schat. Maar waar verwijst het naar? In 1991 ging Peter Schats orkestwerk De Hemel in première, een jaar later verscheen van Harry Mulisch De ontdekking van de hemel. Dat boek is (mede) geïnspireerd op ideeën van Schat en op intieme feiten uit diens leven.

Schat was aanvankelijk niet zeker van het vaderschap van de zoon van zijn op raadselachtige wijze verongelukte vrouw. Die zoon heet in Lucifer niet toevallig Quint en is in de ogen van de zich God wanende componist zijn Jezus. In De ontdekking van de hemel heeft het engelachtige jongetje Quinten als afgezant van God een opdracht op aarde te vervullen, ook een soort Jezus dus. Het is ongewis wie de vader van Quinten is en de moeder van het kind raakt nog voor zijn geboorte in coma tijdens een ongeluk waarbij beide mogelijke vaders betrokken zijn.

Wie De ontdekking van de hemel en Lucifer naast elkaar legt, merkt talloze overeenkomsten op. De schaker Hein Donner, bij Mulisch Onno en bij Palmen Otto genaamd, wordt in beide boeken neergezet als een afvallig gereformeerd vaderskind, voor wie alleen het woord telt en muziek onzin is. ‘Muziek is voor mietjes en meisjes’, laat Palmen Otto zeggen tegen de homoseksuele componist Lucas. ‘Muziek is voor meisjes’ vindt de aan misogynie lijdende Onno in De ontdekking van de hemel.

Lucifer, de tragedie van de gevallen engel, behandelt de verstoting van Lucas Loos alias Peter Schat uit de hemelse vriendenclub van de zich God wanende Aaron Keller alias Mulisch. De reden van Schats en Lucas’ excommunicatie was dat hij, anders dan zijn voormalige geestverwanten, publiekelijk terugkwam van eerder ingenomen politieke standpunten. Haar critici verwijten Palmen dat zij zich tot spreekbuis maakt van de Herenclub ten koste van Peter Schat. Daar tegenover is echter de interpretatie mogelijk dat zij een verdediging levert van het vermogen van de componist om van mening te veranderen, waar Mulisch dat als een vorm van verraad beschouwde en achteraf zelfs als een ingebakken karakterfout heeft voorgesteld. Zo roept in De ontdekking van de hemel Onno (Donner) al tijdens een Vietnam-bijeenkomst in 1967 tegen de componist: ‘Hystericus! Jij bent binnen tien jaar zo rechts als een Amerikaanse generaal’. Een staaltje van (fictieve) geschiedvervalsing dat door Palmen in háár fictie wordt rechtgezet.

Schat ontwikkelde zich niet alleen op politiek gebied (hij nam afstand van zijn communistische sympathieën en van de opera Reconstructie over de moord op Che Guevara), maar ook muzikaal. In De ontdekking van de hemel drijft Mulisch daar de spot mee, terwijl hij tegelijkertijd toegeeft schatplichtig te zijn aan Schat. Neem bijvoorbeeld de ‘toonklok’ en de ‘drieklank’, waar het orkeststuk De Hemel op is gebaseerd en die door Palmen in Lucifer wordt uitgelegd. Voor de componist Lucas Loos was drie een heilig cijfer, schrijft Palmen. Zijn verlangen naar harmonie bleek verborgen in dit getal. Laat dat nou voor de hoofdpersoon van De ontdekking van de hemel ook gelden. Als die de driehoeksrelatie waarvan hij deel uitmaakte verstoord ziet, bedenkt hij dat ‘de harmonische drieklank definitief is veranderd in een dissonant akkoord van een componist uit de school van Darmstadt.’

Een beroemde uitspraak van Peter Schat, waarmee hij zijn compositie De hemel motiveerde, luidt: ‘La Mer bestond al, evenals Das Lied von der Erde. Tijd voor De Hemel, dacht ik.’ In diezelfde periode dacht Mulisch ongeveer hetzelfde en schreef voortbordurend op Schats ideeën zijn onvolprezen roman, waarin ook de verwijzingen naar Debussy’s ‘Zee’ en Mahlers ‘Aarde’ niet ontbreken.

Met plagiaat van wie dan ook hebben dergelijke allusies niets van doen. Wel met de voortzetting van het debat over de artistieke verbeelding van de schepping, de hemel, de vriendschap, het verraad. Mulisch voerde dit debat met literaire middelen in zijn grote roman uit 1992, Palmen levert daar, eerder essayistisch dan met het instrumentarium van de romanschrijver, een commentaar op waarin zij Peter Schat zijn hemel teruggeeft. Zij roddelt niet, zij schept voort.