Nog 14.000 DNA-onderzoeken op de plank

Het Forensisch Instituut krijgt veel kritiek. De achterstanden zijn te groot, de werkwijze zou niet deugen. De onderzoekers in Rijswijk reageren vandaag voor het eerst op geluiden van buiten.

De medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) doen hun werk in stilte en geheimzinnigheid. Ze krijgen bloedmonsters, celmateriaal, voorwerpen die zijn gevonden op de plaats van het misdrijf. Ze krijgen de opdracht het materiaal te onderzoeken. Maar van wie de sporen zijn of met welk delict hun onderzoek te maken heeft, dat weten ze niet.

Hun werk wordt, zeker als er iets misgaat, wél in alle openbaarheid besproken. En in twijfel getrokken. Dan wordt er gezegd dat het NFI een monopolist is in Nederland, het enige onderzoeksinstituut dat opdrachten krijgt van justitie, en ook nog eens onderdeel is van het ministerie van Justitie. Dat het NFI fouten maakt, zoals in de Schiedammer Parkzaak of de Haagse metselmoordenzaak. Fouten, die misschien eerder ontdekt waren als er meer forensische instituten waren die contra-expertise konden doen.

Voor het eerst gaat het NFI, voorzichtig, in op de kritiek van buitenaf. Vandaag is een jaarbericht over 2006 gepresenteerd, én er is een jaarverslag gemaakt van de DNA-databank voor strafzaken. Het NFI beheert die databank, waarin DNA-materiaal en gegevens zijn opgeslagen van verdachten, veroordeelde criminelen en sporen van onbekende personen die zijn aangetroffen op plaatsen waar een misdaad is begaan.

DNA-onderzoek is voor het NFI een „groeimarkt”, zeggen ze zelf. In 2005 konden de wetenschappers nog weinig met zogenoemde ‘contactsporen’, sporen die ontstaan door vluchtige contacten, bijvoorbeeld een blouse die alleen kortstondig is vastgegrepen door een hand. In 2006 konden dat soort contactsporen wél onderzocht worden, het werd bijvoorbeeld toegepast in het het onderzoek naar de Deventer moordzaak.

Het aantal aanvragen voor DNA-onderzoek groeide zo sterk, dat het NFI daarover ook kritiek kreeg. Er werden 63.549 DNA-analyses uitgevoerd, maar veel vooral kleinere zaken bleven liggen. En de DNA-databank voor strafzaken moest ondertussen ook nog worden ‘gevuld’. Er was gerekend op ruim 8.000 nieuwe DNA-profielen van veroordeelden. Het werden er veel meer. Eind december 2006 lagen er nog 14.000 DNA-profielen te wachten op verwerking. Voor de opname van het DNA van een veroordeelde crimineel is nu een wachttijd van veertig weken.

In 2006 stelde het NFI vijf sporendeskundigen aan. Deskundigen die mét de politie naar de plaats van een misdrijf gaan om daar zelf sporen veilig te stellen. De politie maakte er in 2006 wekelijks gebruik van. Want dat was bijvoorbeeld in de Schiedammer Parkzaak, waarbij een meisje in het park werd vermoord, misgegaan. Alleen al de wijze waarop het lichaam van het meisje werd vervoerd (in een plastic lijkenzak) en de manier waarop haar lichaam werd bewaard, maakten het later vrijwel onmogelijk nog sporen te traceren. Als het aan het NFI ligt, zijn er in de toekomst 24 uur per dag experts aanwezig die de politie assisteren.

En dan de fouten die gemaakt zouden worden bij het NFI zelf. Contaminatie van sporen blijft volgens het NFI een risico. Er kunnen sporen per ongeluk worden gemengd met materiaal van een ander monster, of met celmateriaal van de onderzoeker zelf. Dat is in 2006 vier keer gebeurd. Van alle medewerkers van het NFI is celmateriaal opgeslagen in de eliminatie-databank. Al het te onderzoeken materiaal wordt eerst vergeleken met de gegevens uit die databank om vooraf vervuiling op te sporen.

Zo bleek bijvoorbeeld dat een laboratoriummedewerker veel vaker contaminatie veroorzaakte dan collega’s. Het bleek dat zijn huid veel meer celmateriaal losliet dan normaal. Hij heeft een andere functie gekregen.

De ‘twijfelprocedure’ is misschien wel de grootste verandering bij het NFI, en een direct gevolg van de kritiek naar aanleiding van de Schiedammer Parkzaak. In die zaak verschilden twee medewerkers van mening. De „wetenschappelijke hiërarchie” bij het NFI bepaalde destijds dat de deskundige het officiële NFI-standpunt bepaalt. Voor twijfel was toen geen ruimte. Nu wel. De medewerker kan zijn twijfel intern melden en een afwijkende mening kan aan het onderzoeksrapport worden toegevoegd. Als NFI-onderzoekers vinden dat er niet goed met hun bevindingen wordt omgegaan, dan mogen ze dat zelf melden bij de officier van justitie of de rechter. Bij de Schiedammer Parkzaak deden de onderzoekers dat ook, maar in het geheim.