Niet doen wat niet kan

Het Westen heeft te lang gedacht dat Irakezen en Afghanen op een moderne revolutie zaten te wachten. Niets is minder waar.

Rory Stewart pleit voor luisteren en geduld. En voor projecten die Irakezen en Afghanen zelf willen.

We moeten erkennen dat er in Irak, Afghanistan en elders grenzen aan onze macht en kennis zijn. En we moeten ons concentreren op dat wat wel uitvoerbaar is. De vraag is niet: ‘wat zouden we moeten doen?’. Maar: ‘wat kunnen we doen?’

Hierover wordt zelden gesproken. Als ik politici vraag of wij de Talibaan kunnen verslaan, antwoorden zij dat we de Talibaan ‘moeten’ verslaan.

Als ik vraag of het eigenlijk wel ergens goed voor is dat wij in Irak blijven, antwoorden zij dat we een ‘morele plicht’ tegenover het Iraakse volk hebben.

Met pijn en moeite leren wij dat de problemen in Irak of Afghanistan – van geweld en wanbestuur tot de behandeling van vrouwen – veelal diepgeworteld zijn in lokale denkbeelden, politieke structuren en traumatische geschiedenissen. Zeker is dat de Irakezen en Afghanen niet willen dat hun land wordt overheerst door vreemdelingen en niet-moslims.

Een machtige en effectieve minderheid probeert ons uit te moorden. De meerderheid is hoogstens lauw: ze hebben misschien een hekel aan de militante shi’itische ‘Sadristen’ in Irak of de Talibaan in Afghanistan, maar die hebben ze toch nog liever dan ons.

We beseffen inmiddels ook hoe weinig we kunnen begrijpen. Onze mensen zijn maar kort ter plaatse, hebben te weinig taalkundige of culturele scholing, wonen in kazernes achter zwaargepantserde muren en leren de plaatselijke bevolking kennen door middel van boze petities of onverhoedse hinderlagen.

We zullen ons nooit het subtiele besef van waarden, denkbeelden en geschiedenis eigen maken dat nodig is om duurzame veranderingen tot stand te brengen, laat staan om voorop te gaan – zoals ooit onze bedoeling was – in een politieke, sociale en economische revolutie.

De Amerikaanse en Britse bevolking heeft ingezien dat haar grootse doelstellingen onbereikbaar zijn, en omdat niemand enig praktisch alternatief te bieden heeft, vervalt ze in cynisme en verzet.

Intussen weifelen de verlamde leiders, bang voor hun eigen onmacht, tussen troepenvermeerdering en vlucht, tussen strijd en veilige afzondering.

We moeten dit verhinderen door onze grenzen te erkennen, maar tegelijkertijd in te zien dat we weliswaar minder machtig en deskundig zijn dan we beweerden, maar wel machtiger en deskundiger dan we vrezen.

Een jaar geleden dacht ik bijvoorbeeld dat het vrijwel onmogelijk zou zijn om de keramiek, houtbewerking en kalligrafie weer op poten te zetten en de oude stad van Kabul voor een deel te herstellen. Ik was bang voor onverschilligheid onder de Afghanen, te lage kwaliteit, te hoge prijzen, een apathische overheid en een gebrek aan internationale vraag.

Maar ik stuitte op grote Afghaanse energie, moed en vaardigheid en kreeg fantasierijke en royale steun van de Amerikaanse regering. Onverwachte markten dienden zich aan; de Afghaanse overheid sprong bij; mannen en vrouwen vonden een inkomen en nieuwe trots.

Over heel Afghanistan zijn nog veel meer van zulke projecten, en vaak nog veel geslaagder dan dit.

Mijn ervaring doet vermoeden dat we ons grondgebied tegen terreuraanslagen kunnen blijven beschermen, dat we projecten kunnen opzetten die voorkomen dat nog meer mensen ontevreden worden en dat we zelfs iets goeds kunnen uitrichten.

Kort gezegd: we zullen meer kunnen doen dan nu, niet minder. Maar aanvaarding van dat wat mogelijk is vergt bescheidenheid en de moed om compromissen te sluiten.

We zullen ons moeten richten op projecten die de Irakezen en Afghanen willen, prioriteiten stellen en afzien van moreel perfectionisme, werken met mensen die niet onze voorkeur hebben en het minste van twee kwaden kiezen.

We zullen geduld moeten hebben. We moeten proberen een eind te maken aan de clandestiene opiumteelt en de manier te veranderen waarop de Irakezen of Afghanen hun vrouwen behandelen. Maar dit zullen we niet bereiken in de komende drie jaar.

We zullen in Irak of Zuid-Afghanistan misschien wel nooit een democratische staat kunnen opbouwen. Maar een poging daartoe die berust op de aanwezigheid van buitenlandse troepen, leidt tot opstand en wrok en kan alleen maar op een mislukking uitdraaien.

‘U wilt dus zeggen,’ antwoordt de politicus, ‘dat we achterover kunnen leunen en maar niets moeten doen.’

Integendeel: ik geloof dat we heel veel kunnen doen. Maar moeten vereist ook kunnen. We hebben geen morele plicht om te doen wat we niet kunnen.

Rory Stewart is verbonden aan de Turquoise Mountain Foundation in Kabul. Zijn laatste boek is ‘The Prince of the Marshes and Other Occupational Hazards of a Year in Iraq’.