Nederland wil niet wachten

Nederland moet van de Europese Commissie wachten met roetfilters tegen fijnstof.

De zaak is nu onder de Europese rechter.

Als het over roetfilters gaat, zijn Nederland en de Europese Commissie het over twee dingen roerend eens. Eén: roetfilters in nieuwe dieselauto’s helpen de lucht schoner te maken. Twee: als je zulke roetfilters in één land verplicht stelt, en in andere landen (nog) niet, dan frustreer je de eerlijke concurrentie.

Maar voor de rest is het inzake roetfilters tussen Den Haag en Brussel bestuurlijk oorlog, nu al bijna twee jaar lang. Dat bleek gisteren nog weer eens voor het Europees Hof van Justitie in Luxemburg. Daar kruisten beide partijen hun degens over het plan van Den Haag om roetfilters voor nieuwe dieselauto’s (personenauto’s en kleine bestelwagens) in Nederland eerder verplicht te stellen dan in de 26 overige landen van de Europese Unie.

De vorige Nederlandse regering wilde met die Alleingang goede sier maken in de strijd om schonere lucht. Mogelijk zou Brussel zich dan ook coulant opstellen bij andere overschrijdingen van milieunormen door Nederland. Dan zouden wellicht ook die vervelende stops op nieuwbouw (die voor extra luchtvervuiling zorgt) kunnen verdwijnen.

Maar die vlieger ging, ondanks brede steun van de Tweede Kamer, in Brussel niet op. De Commissie gaf Nederland geen toestemming om met roetfilters uit de Europese pas te lopen. Tegen die weigering maakte Nederland op zijn beurt weer bezwaar, waardoor de beide kemphanen in Luxemburg belandden.

Daar spitste het juridische gevecht zich gisteren toe op twee vragen. Ten eerste: is de luchtsituatie in Nederland uitzonderlijk genoeg om de werking van de Europese binnenmarkt (tijdelijk) te belemmeren? En ten tweede: staat het door Nederland beoogde positieve effect van eerdere roetfilterplicht in billijke verhouding tot de schade die deze maatregel toebrengt aan de vrije markt?

Nederland beantwoordde beide vragen, bij monde van zijn gemachtigde, M. de Grave, voluit met ‘ja’. Hij wees daarvoor op de geografische ligging, die met zich meebrengt dat tweederde van alle luchtvervuiling uit het buitenland komt. Het deel dat Haags beleid kan beïnvloeden, is dus beperkt – beperkter dan elders.

Verder zei De Grave dat de inbreuk op de marktwerking wel meevalt. In het buitenland geregistreerde dieselauto’s vallen niet onder de Nederlandse verplichting. Die riskeren hier dus geen bekeuring. En alle grote automerken brengen hun modellen nu al, of binnenkort, mét roetfilter op de markt.

Ten slotte beklemtoonde De Grave „de noodzaak’’ van het Nederlandse plan. „Het ziet er nu naar uit dat roetfilters in de hele Europese Unie pas vanaf september 2009 voor nieuwe dieseltypes en vanaf januari 2011 voor alle nieuwe dieselvoertuigen verplicht worden. Zo lang kan Nederland niet wachten.’’

Op de Europese Commissie maakten de Nederlandse argumenten geen enkele indruk. Gemachtigde H. van Vliet zei dat het de plicht van de Commissie is streng toe te zien op de naleving van de marktregels.

„Zeker’’, intervenieerde de Franse rechter H. Legal, die de zitting voorzat, „de gemeenschappelijke markt is mooi, maar als we door vuile lucht allemaal dood neervallen, schieten we er weinig mee op. Hebt u daar ook oog voor?’’

„En of!’’, reageerde Van Vliet. Daarom is er juist die Europese wet over luchtkwaliteit. Maar hij ontkende dat Nederland zich in zó’n specifieke situatie bevindt, dat het bij roetfilters een uitzonderingspositie kan claimen. Hij verwees naar het Duitse Roergebied, de agglomeratie Milaan en België.

Ten slotte hamerde Van Vliet er op dat er alternatieven zijn die méér effect sorteren zonder de marktwerking te verstoren. Zoals rijverboden voor vuile auto’s in bepaalde periodes en/of in bepaalde gebieden. Of hogere subsidies op schone auto’s. Of rekeningrijden.

Van Vliet: „De Europese richtlijn over luchtkwaliteit dateert van 1999. Vanaf dat moment wist Nederland dus wat het te doen stond. Het is voor de Commissie onaanvaardbaar dat een lidstaat eerst zes jaar treuzelt en dan niets beters weet te bedenken dan een maatregel die de binnenmarkt verstoort.

En daar had Nederland niet veel van terug.