Nader tot Coetzee

Christopher Hope: My mother’s lovers. Atlantic Books, 442 blz. €20,–

Christopher Hope schrijft over Johannesburg, de stad waar hij zestig jaar geleden werd geboren maar waar hij lang niet altijd verbleef, als een vertrouwd terrein waar vertrouwde mensentypes wonen. Al is hij niet zo beroemd geworden als zijn landgenoot Coetzee, zijn verhalende en kritische vermogens zijn van een hoge orde, en met My Mother’s Lovers zal hij de afstand tussen Coetzee en hemzelf nog kleiner maken. Wie dit boek gelezen heeft komt er niet gauw van los; misschien wel nooit.

In het begin is het niet meteen gemakkelijk om in het verhaal te komen. De verteller, Alexander Healey, groeide op zonder vader. Zijn opvoeding was de zorg van zijn moeder, een rijzige vrouw die zich onderscheidde als vliegenierster en in de jaren van de apartheid vele Zuid-Afrikanen die door de politie gezocht werden, naar veiliger landen bracht. Ook ging zij op safari, waarbij zij haar zoon soms meenam zonder hem te kunnen winnen voor de jachtlust. Verder was hij als jongen vaak alleen, totdat hij op zijn veertiende gezelschap kreeg van een zwarte leeftijdgenoot, Koosie, door zijn moeder meegebracht van een vliegveld waar hij als zwerver leefde.

Het is een jeugd met ongewone ervaringen die ongedwongen geschetst worden zonder dat er een verhaal ontstaat dat op een vervolg gericht is. Waar begint het meesterwerk? Want deze kwalificatie is al verscheidene malen aan het boek toegekend.

Even later is het zover – wanneer Alexander het land uit is naar Birma en Maleisië waar hij de maatschappelijke verhoudingen in zijn eigen termen vergelijkt met die van Zuid-Afrika. En het wordt nog sterker wanneer hij terugkeert naar Johannesburg om het sterven van zijn moeder te begeleiden. Na haar dood blijft hij weer Johannesburger, bezig met zijn eigen geschiedenis bij het opruimen van het huis, met herinneringen en een nieuw huwelijk, en met de Zuid-Afrikaanse levensstijl zoals die om hem heen tot uitdrukking komt.

Voor die stijl heeft hij geen goed woord over. Van de verwachting dat er na de afschaffing van de apartheid een rechtsstaat zou ontstaan is nauwelijks iets verwezenlijkt. Verder zijn de maatschappelijke verhoudingen nog vijandiger en onbetrouwbaarder geworden, zijn de straten onveilig (niemand gaat uit wandelen in Johannesburg) en is de gezondheidszorg jammerlijk.

Zo stelt Alexander het voor als burger van Johannesburg, en er is geen reden om aan te nemen dat zijn visie zich onderscheidt van die van de schrijver. Het toppunt komt wanneer een bus met invalide kinderen op weg naar de dierentuin overvallen wordt door drie rovers, en een van de jongetjes wordt doodgeschoten. Het slachtoffer is het kind van Alexanders nieuwe vrouw uit haar vorige huwelijk.

Het is een sterk slot dat je achterlaat in een verdeelde stemming. Niet dat wij als vriendelijke westerlingen onze toevlucht kunnen nemen tot de gedachte dat het bij ons anders gaat. Wie aan deze roman terugdenkt moet zich haast wel bij de situatie daar betrokken voelen.