Mijn wond houdt hem levend

David Van Reybrouck: Slagschaduw. Meulenhoff/Manteau, 199 blz. € 18,95

Een retro-design archiefkast, een kaal en leeg huis, een schrijver achter een klein bureautje, het moede hoofd te ruste gelegd op de typemachine. Zo liet David Van Reybrouck zich portretteren voor een interview over zijn nieuwe roman: Slagschaduw. Het portret is hem duur komen te staan in België. Het getuigt van grote ijdelheid en pretentie dat hij zich zo liet vereeuwigen, vindt literair criticus Marc Reugebrink, die op zijn weblog fel uithaalt tegen Van Reybrouck (overigens zonder Slagschaduw te hebben gelezen). Reugebrink ziet in hem een boegbeeld van ‘alles wat er mis is met de literatuur van dit moment’.

Wat is er dan mis? De literatuur ‘dreigt te verdwijnen in het publieke domein’. Waar de meeste mensen de toetreding van literatuur in het publieke domein juist toejuichen, is het voor Reugebrink blijkbaar verontrustend: de ‘goede kant’ van de literatuur kan alleen de marginale kant zijn. Een schrijver als Van Reybrouck, die debuteerde met een intellectuele en originele mengeling van fictie, autobiografie en non-fictie (De plaag), mag blijkbaar geen publiekslieveling worden.

Het fascinerende aan het geval-Van Reybrouck, en aan de populariteit van meer jonge Vlaamse auteurs, is nu juist dat het een het ander niet meer uitsluit. De marginale Vlaamse literatuur is populair geworden zonder haar experimentele kanten op te geven. Zo won de postmoderne Peter Verhelst de Gouden Uil, en de onnavolgbare roman Omega Minor van Paul Verhaeghen beleefde een ongekend verkoopsucces in Vlaanderen. Ook Van Reybrouck beweegt zich binnen én buiten het literaire centrum tegelijk.

Toevallig of niet is die tussenpositie nu juist waar het om gaat in Slagschaduw. Rik, de ik-verteller van de korte roman, valt er meestal buiten – buiten de grote stad Brussel, de verliefde stelletjes, de gewone mensen die zeulen met kinderen, de steeds commerciëlere krantenredactie waar hij slechts freelancer is, en buiten de geschiedenis zelf. Hij heeft niet meer de geborgenheid van het ouderlijk huis, maar weigert ook een eigen gezin te stichten. Die tussenpositie komt hem duur te staan als zijn beeldschone grote liefde Claire het om die reden voor gezien houdt – zij wil vérder, wat blijkt te betekenen dat zij een hond en een kind neemt met een ambtenaar in een buitenwijk.

Vanaf het begin is duidelijk dat Rik nog een groter verlies te verwerken heeft dan dat van Claire’s liefde. In de onheilspellende proloog vliegt een duif zich te pletter tegen een winkelruit. Later blijkt dat een vooruitwijzing te zijn naar het verkeersongeluk dat Riks vriend, de fotograaf Lode, is overkomen toen ze samen op reportage waren. Op allerlei manieren wordt gesuggereerd dat het, sinds de dood van ‘mijn beste vriend, mijn enige vriend eigenlijk’ slechts een schaduw van Rik zelf is die ronddwaalt in het mondaine, onverschillige en soms ranzige Brussel.

Zijn enige houvast is het werk, een zoektocht naar een meisje dat in 1923 model stond voor het beeld van een martelares uit WO I. Dat hij haar niet vindt, zelfs niet eens haar naam ontdekt, is niet erg. ‘Ik wou dat model van de vergetelheid redden, maar nu er thuis geen stroom is, in de koelkast een fles futloze champagne staat en aardappels hun paarse tentakels uitstrekken, nu de druppels van mijn zwembroek petsen in het donker – nu besef ik dat zij míj moet redden. Ik heb niets anders’.

Met de uitvoerige, journalistieke passages over de beeldhouwer en zijn model, en over Brussel zelf, wordt Slagschaduw hybride, net zoals Van Reybroucks eerste boek dat was: geschiedschrijving, reportage, autobiografie en verzinsel ineen. Op die manier staat het boek zowel binnen als buiten een genre: dit is wel én niet een roman. Als iets duidelijk wordt uit Slagschaduw is dat het geen zin heeft om een onderscheid te willen maken tussen mens, journalist, schrijver en personage David Van Reybrouck. Het staat vast dat er veel overeenkomsten zijn tussen Rik en David, twee Vlaamse, geëngageerde freelancejournalisten van in de dertig. De belangrijkste overeenkomst is wel dat Van Reybrouck zelf ook een groot verlies geleden heeft, zoals hij in interviews vertelde.

De schrijver is hier zijn eigen model, zoals de mooie Claire model stond voor Rik, en Rik voor zijn vriend Lode, en het onvindbare model voor het beeldje van Gabriëlle Petit. Dat levert een mooi schimmenspel op met een ‘ik’ die bij wijlen ook een ‘hij’ is of zelfs een ‘jij’, en met een auteur die over zichzelf spreekt terwijl hij zich verschuilt achter een personage.

Wanneer Rik zich uitspreekt over hoe hij zou willen schrijven, kunnen we die uitspraak dan ook veilig op Van Reybrouck betrekken. ‘Licht en treurig’, wil hij schrijven, net als de muziek waar Claire op danst: ‘dartel en troosteloos’. Maar dat is in Slagschaduw helaas niet gelukt. Rik is al niet bepaald een dartele figuur, eerder een intellectueel die zichzelf behoorlijk serieus neemt, met zijn opera en zijn engagement, zijn verwijzingen naar dichters als Rilke of Eliot, en zijn tirades tegen gsm’s en sushibars. Bovendien is Van Reybroucks stijl niet licht. Hij houdt van beeldspraak en van aforismen als deze: ‘Herinneringen zijn opgezette dieren die men zo vaak afstoft dat hun vacht er dun van wordt’. Het zijn vooral de reflecties over het geheugen en over de tijd die zo nu en dan onder hun eigen gewicht bezwijken. Hoe waar ze ook zijn, ze willen wel eens wat op tegelspreuken gaan lijken: ‘In de schaduw van verlies groeit naast kwetsbaarheid ook helderheid’.

Een dergelijk onderwerp maakt het lastig om de taal op haar originaliteit te beoordelen. Wanneer Rik bijvoorbeeld over zijn vriend denkt: ‘Als mijn verdriet ophield, was hij pas echt dood. Ik hield hem in leven met mijn wonde’, kan je dat wat al te expliciet vinden, maar ook ontroerend. Zeker in het licht van het einde van de roman, waar blijkt dat Rik er klaar voor is om zijn vriend los te laten en hem echt te laten sterven.

Door de serieuze poging om verdriet te verwoorden en door de catharsis aan het eind zou Slagschaduw het wel eens goed kunnen gaan doen bij een groot publiek. Van Reybrouck is binnen, wat voor sommige Vlamingen wel zal betekenen dat hij er voorgoed buiten ligt.