Manisch jagen op kennis

Na Samuel Pepys was de virtuoze John Evelyn de beroemdste dagboekschrijver van Engeland. Een onvermoeibare allesweter met trekken van een schoolmeester.

Gillian Darley: John Evelyn. Living for Ingenuity. Yale University Press, 416 blz. €43,–

Guy de la Bédoyère (selectie en editie): The Letters of Samuel Pepys 1656-1703. The Boydell Press, 288 blz. €43–

Een levenskunstenaar was hij niet, een virtuoso en allesweter wel. Daardoor leek John Evelyn misschien ‘een beetje vol van zichzelf’, maar volgens zijn goede vriend Samuel Pepys was hij ‘dan ook een man die ver boven anderen uitsteekt’. In de eerste passage die Samuel Pepys in zijn beroemde dagboek aan Evelyn wijdt, in september 1665, beschrijft hij hem als ‘a very fine gentleman’, zeer geleerd, met wie het aangenaam converseren is. Hoewel hun paden zich in het Londen na 1660 veelvuldig zullen hebben gekruist, bijvoorbeeld bij vergaderingen van de Royal Society, kreeg hun contact pas vanaf 1665 vastere vorm. Beiden waren van ambtswege betrokken bij de Tweede Engelse Oorlog – Pepys als ‘Clerk of the Acts of the Navy’, Evelyn als lid van de commissie voor zieke en gewonde zeelieden. Hun eerste brieven over maritieme en politieke aangelegenheden zijn nog vooral zakelijk. Dat blijkt uit enkele voorbeelden die zijn opgenomen in The Letters of Samuel Pepys, een nieuwe keuze uit diens correspondentie, voorzien van beknopte heldere inleidingen. Al snel ontwikkelde zich tussen hen een warme vriendschap die tot de dood van Pepys in 1703 zou duren. De mannen hadden veel gemeen: hun loopbaan als hoge ambtenaar, hun trouw aan de Stuart-monarchie, hun lidmaatschap van de Royal Society, hun bibliofilie en verzamelwoede – en natuurlijk de dagboeken waarmee zij, met name in Engeland maar ook daarbuiten, zo beroemd zijn geworden. Evelyns omvangrijke dagboekserie werd, in 1818, als eerste gepubliceerd. Dat was zo’n hit, dat snel daarna Pepys’ dagboeken volgden, en het succes daarvan stelde Evelyns werk weer in de schaduw. Maar terwijl van Pepys slechts negen jaar dagboek is overgeleverd, kunnen we bij Evelyn zijn hele leven volgen.

Na zijn studie in Oxford reisde John Evelyn, geboren in 1620, jarenlang rond in Europa, een Grand Tour die wat langer uitviel omdat in Engeland inmiddels de burgeroorlog was uitgebroken. Hij kon het zich permitteren, want er was geld genoeg in de familie. In Nederland kocht hij schilderijen; in Rome ging hij zich te buiten aan boeken en prenten. Tijdens zijn verblijf in Parijs bij de Engelse ambassadeur, trouwde hij in 1647 met Mary Browne, de twaalfjarige dochter van zijn gastheer, maar niet voordat hij haar eerst in een uitgebreid traktaat op de theorie en praktijk van het huwelijk had voorbereid. Terug in Engeland, in het familiehuis Sayes Court, wijdde Evelyn zich aanvankelijk aan zijn bibliotheek, studie en vooral zijn tuin. Pas na de restauratie van het Engelse koningshuis in 1660 deed hij als ambtenaar zijn herintrede in het publieke leven.

In hun karakter en manier van leven waren Evelyn en Pepys verschillend als dag en nacht. Dat is ook heel duidelijk na lezing van beider dagboekseries: de brutale openhartigheid, de vrolijke zwier van levensgenieter Pepys ontbreekt ten enenmale bij zijn vriend, zowel in toon als in thematiek. Evelyn was altijd op jacht naar kennis, en nog meer kennis. Hij documenteerde veel meer; hij verwerkte zijn observaties, vaak pas jaren later, als een soms zeer droge notulist van zijn leven. Hij was zichzelf pijnlijk bewust van die stijfheid, en realiseerde zich goed dat velen ‘mij voor een schoolmeester houden’.

Pepys stoorde dat niet. Hij zal in Evelyn een intrigerende en gelijkwaardige gesprekspartner hebben gevonden, iemand met een grenzeloze belangstelling voor de meest uiteenlopende zaken – tuinen en bibliotheken, buitenhuizen en stadsopbouw, kunsten en wetenschappen, techniek en handel, pedagogiek, sociale misstanden en de remedies daartegen (in 1661 publiceerde Evelyn bijvoorbeeld het eerste Engelse geschrift over stadsvervuiling, Fumifugium). Met een manische hang naar volledigheid sprokkelde hij materiaal bijeen dat hij overdacht, bewerkte, vertaalde en verwerkte. Tijdens zijn lange leven verscheen een waslijst aan boeken en traktaten, maar Evelyns meesterwerk, Elysium Britannicum, een encyclopedisch overzichtswerk over de tuinkunst en haar geschiedenis, kwam nooit af. Het werd pas in 2001, voorbeeldig, uitgegeven op basis van het handschrift dat in de British Library in Londen wordt bewaard.

Daar ligt, sinds 1995, het grootste gedeelte van Evelyns archief – zijn dagboeken, correspondentie, handschriften, plakboeken, notities. Ook een deel van zijn bibliotheek staat er in de magazijnen; boeken waarin hij veelvuldig aantekeningen heeft gemaakt als voorbereiding op zijn eigen werk. Heel lang zijn Evelyns bezittingen – boeken, prenten en schilderijen, archief, meubels – bij elkaar gebleven. Omstreeks 1970 kwam aan die unieke situatie een einde, toen de huidige erfgenamen besloten de gigantische collectie te verkopen. Voor de bibliotheek alleen al waren in 1977-1978 acht veilingen nodig. De vergelijkbare bibliotheek van Samuel Pepys wordt nog steeds op één plek, Magdalen College, Cambridge, bewaard.

Het uitzoeken, ordenen en ontsluiten van alle geschriften van Evelyn in de British Library heeft veel tijd gekost, maar nu het karwei is geklaard, ligt er voor onderzoekers ook werkelijk een goudmijn. De laatste jaren zijn er al behoorlijk wat publicaties verschenen: de al genoemde editie van Elysium Brittanicum; een boek over Evelyns platonische vriendschap met de dertig jaar jongere, uiterst devote Margaret Godolphin; artikelen en congresbundels gewijd aan de vele terreinen waarop John Evelyn zich zo moeiteloos bewoog.

Het wachten was op een biografie en die kwam, op de valreep, uit ter gelegenheid van de driehonderdste sterfdag van Evelyn in 2006. Helaas, het boek vertoont alle tekenen van haast en is slordig geredigeerd. Dat had niet erg hoeven zijn als de biografe, Gillian Darley, er in geslaagd was om door de stijve schoolmeester John Evelyn te prikken, om ons een glimp te tonen van de veelzijdige en fascinerende virtuoos. We krijgen van alles, zo niet alles, te horen over zijn reizen, vrienden, familie, huwelijk, en al die projecten waarmee hij zich bezig hield. Maar het boek sprankelt niet. Living for ingenuity is een boordevol boek dat overloopt van details, anekdotes, feiten, namen. Er zijn verrassingen: bijvoorbeeld de fijne, ironische humor en het schrijftalent van Evelyns echtgenote, Mary Browne. Af en toe kijken we ineens rechtstreeks de 17de eeuw in – maar de echte John Evelyn moet nog opstaan.