Klifhanger 32

Wat vooraf ging: Tjalling was een tijdlang verdwenen. Hij vertelt nu aan Katja waar hij was, en wat hem is overkomen: hij heeft in een bos een dinosaurus ontmoet.

„En toen?!” vroeg Katja.

„In het dorp lag ik ook wel eens op de grond”, zei ik. „Als jongens me onderuit hadden gehaald. Als je dan lag, kon je ze tackelen. Dus dat deed ik!”

„Heb jij een dinosaurus getackeld?!”

„Inderdaad ja. Ik sprong naar voren en ik heb die reusachtige dino getackeld!”

„Tjalling, lieg jij wel eens?”

„Ja. Nu bijvoorbeeld. Eigenlijk was ik zo blind als een mol, zonder bril. Dus die dino is gewoon over me gestruikeld. Omdat ik in de weg zat.”

Katja begon heel hard te lachen. Ik lachte maar mee.

„Die dino”, zei ik, toen we waren uitgelachen, „die viel in die stellage van balken. En daarna klonken er allerlei geluiden, geschreeuw en geren, en toen ik weer durfde te kijken lag er vlakbij een poot van dat beest. En die poot was met touwen vastgebonden aan de grond.”

„Wauw!”

„Daarna waren er opeens drie mannen om me heen. En ik werd opgetild! Ze tilden me op de schouders! Wil jij weten wie die mannen waren?”

„Kabouter Plop, Ko de boswachter en een Teletubbie, denk ik.”

„Ha ha! Het waren Superman, Spiderman en de Hulk! Ja ja!”

„Ja hoor.”

„Kom op, we hebben Barbie ontmoet hier! Waarom zou dit dan niet kunnen?”

„O ja. Tja”

„Jij”, zei Superman, Jij hebt een tyrannosaurus gevangen! Dus hoor jij bij ons!”

„Fijn”, zei ik. „Maar zet me nu maar weer neer.” Dat deden ze, en ze zeiden: „We gaan ‘m braden. En jij blijft eten!”

Nou had ik al eens eerder gebraden vlees gekregen hier, zoals je vast nog wel weet. Dus ik mompelde: „Dat is toch helemaal niet nodig.”

„Ja”, zei Katja. „Dat weet ik nog best. Als jij het niet verknald had daar, dan zaten we nu nog lekker bij dat zwembad.”

„Ze begonnen dus met het braden van die dino. En het water liep me in de mond! Heb jij wel eens dino gegeten?”

„De laatste tijd niet.”

„Het is heerlijk! Het smaakt als kalkoen! We gingen zitten aan een tafel, daar in het oerwoud. En ik kreeg een dinopoot op mijn bord. Ik heb ‘m helemaal afgekloven!”

„Ik dacht al toen ik je zag: hij is weer wat aangekomen.”

„Onzin! Superman en de Hulk zaten ook te kluiven. Maar Spiderman zat naast me, en hij keek me aan. En hij zei: „Jij bent een heel dapper jongetje. Je mag je bij ons aansluiten. Als je dat doet, dan kom je in stripboeken terecht en er worden films over je gemaakt’. Ik wist niet wat ik hoorde.”

„Je wilde toch niet serieus daar blijven?”

„Nee hoor”, zei ik. „Hm... Heel even misschien.”

Katja keek weer van me weg. We waren allebei stil. Ergens in de verte schreeuwde een oerwoudvogel.

„Ik ben blij dat je nu bij me bent”, zei Katja zacht.

Wordt vervolgd