Is het wel winter geweest?

Zesentwintigste aflevering van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

Bomen, beducht voor late nachtvorst, benaderen het voorjaar met een zekere achterdocht. Ze geloven pas in de lente als het winter is geweest en ze geloven pas dat het winter is geweest als ze de nodige kou hebben gehad.

Koen Kramer heeft het in dit verband over koudebehoefte en warmtebehoefte – pas bij een bepaalde koudesom zou een boom weer gevoelig worden voor warmte. Mij spreken deze termen meteen aan. Ik ben zelf ook niet zo gediend van voorjaar voordat mijn koudebehoefte is bevredigd (al die heerlijke truien nutteloos in je kast).

„Is het denkbaar”, vraag ik, „dat bomen slechter in het blad komen doordat het niet koud genoeg is geweest?”

Kramer beaamt dat. „Maar”, zegt hij, „het is ook denkbaar dat wij een visie moeten herzien.” Hoe dan ook, het wordt na zo’n extreem zachte winter een spannend jaar.

Hij is 45 en werkzaam bij Alterra in Wageningen. Met collega’s in Frankrijk, Italië, Oostenrijk en Duitsland is afgesproken dit voorjaar extra naar de bladontplooiing van beuken te kijken. Kramer: „Voor mijn proefschrift heb ik indertijd een fenologisch onderzoek gedaan. We kregen toen dat beuken bij één graad temperatuurstijging twee dagen eerder in het blad kwamen. Deze winter zaten we zes graden boven normaal...”

Normaal, volgens een langjarig gemiddelde, valt de bladontplooiing van beuken in Nederland op 1 mei. Nog even afwachten dus.

Maar ik was eigenlijk gekomen om, een beetje op de feiten vooruitlopend, de hele stofwisseling van bomen nog eens door te nemen.

Onder inwerking van zonlicht produceert het blad suikers uit CO2. Per vierkante meter bladoppervlak levert dit per jaar 1.300 gram suikers op. Daarvan wordt een groot deel afgestaan aan schimmeldraden in de bodem, die de boom op hun beurt voorzien van mineralen. Water gebruikt een boom vrijwel uitsluitend als transportmiddel, mineralen van beneden naar boven, suikers van boven naar beneden.

De bouwstoffen die een boom zo beschikbaar krijgt, worden al naar gelang zijn specifieke eigenschappen en omstandigheden, verdeeld over de vier levensfuncties: wortelstelsel, stam, kroon en de productie van pollen en zaden.

Een jonge beuk die in de schaduw staat zal extra investeren in zijn wortelstelsel, een douglas die midden tussen de douglassen staat zal extra investeren in de lengte van zijn stam (en bij storm tegen de vlakte gaan), een eik die op zijn eentje in het weiland staat zal extra investeren in de breedte van zijn kroon, een appelboom die op sterven staat zal nog één keer alles investeren in zijn appels (zaden).

Nu moet je oppassen met het woord investeren. Bij investeringen veronderstel je een doel. Ik heb eens eerder geschreven dat een boom een doel heeft, namelijk niet zozeer het bereiken van hoge ouderdom of grote hoogte, als wel het voortbrengen van zaden die bomen voortbrengen die zaden voortbrengen.

Prompt een brief van een bomenman: zo mag je dat niet zeggen.

Bomen kennen geen doel. Maar wat bomen (aldus dezelfde brief) wél kennen: verschillende evolutionaire strategieën. En dan denk ik: dat klinkt neutraler, maar ook bij strategieën veronderstel je een doel. Het gaat er om of je bomen een bewustzijn wilt toekennen.

Kramer dan: „Ze zijn gevoelig voor prikkels, natuurlijk.”

„Er gebeuren”, zeg ik, „op allerlei plaatsen in een boom dingen die ten goede komen aan het hele organisme.”

En hij weer: „Ze herkennen die prikkels en dat leidt tot een functionele respons. Je kunt je afvragen wat nou precies de zintuigen van bomen zijn. Maar dat er een afwegingsproces zou zijn, nee. Het is bijna onvoorstelbaar dat een boom een beeld heeft van zichzelf in zijn omgeving.”

Nee, dat niet. Blijft over dat we om bomen te begrijpen gedwongen zijn woorden te gebruiken waaraan we voortdurend woorden moeten toevoegen om ze te verduidelijken.

Nou ja, zo is het eigenlijk met alles.