Hoe de fluit verdween

Herman Ketting: Fluitschepen voor de VOC. Balanceren tussen oncostelijckheijt en duursaemheijt. Aprilis, 144 blz. €29, –

Pieter Jansz., een koopman uit Hoorn, dreef aan het begin van de 17de eeuw handel op Livorno. Hij bracht graan uit het Baltische gebied naar Italië. De zaken liepen zo goed dat hij op zoek ging naar een manier om per schip meer goederen te kunnen vervoeren. Hij kwam met een oplossing die je typisch Hollands zou kunnen noemen: de maten van het schip waren gebaseerd op een passage uit de bijbel en de vorm ervan zorgde voor een belastingvoordeel.

Traditioneel dachten Nederlandse werven dat een verhouding breedte/lengte van 1 staat tot 3,5 voor een schip ideaal was. De maten van de ark van Noach verhielden zich echter als 1 staat tot 6. Een schip kon dus best langer zijn, dacht Jansz. Verder werd de tol die in de Deense Sont werd geheven berekend aan de hand van de breedte van het dek. Jansz. liet daarom zijn schepen in het midden van de romp breder maken, waarna ze naar het dek toe weer smaller werden. Zo ontstond een scheepstype dat vanwege zijn opzienbarende vorm als ‘fluit’ de geschiedenis in zou gaan.

Herman Ketting vertelt in zijn boek Fluitschepen voor de VOC, balanceren tussen oncostelijckheijt en duursaemheijt het verhaal van het gebruik van dit scheepstype in Azië. De VOC-bewindvoerders waren gecharmeerd van het fluitschip omdat het goedkoop was om te bouwen en lang meeging – zie de ‘oncostelijckheijt’ en ‘duursaemheijt’ uit de titel. De schepen werden vooral gebruikt voor de intra-Aziatische handel. Fluiten die meevoeren in de retourvloot moesten een grote achterkajuit hebben, om alle officieren te kunnen herbergen. Dit deel van het schip werd daarom uitgebouwd en kreeg daardoor zijn kenmerkende ronde spiegel.

Aanvankelijk huurde de VOC vooral fluitschepen, maar halverwege de 17de eeuw werden dit soort schepen ook op de eigen werven gebouwd.

Met het intensieve gebruik in Azië kwamen echter ook de zwakke punten van het fluitschip boven. Door de ronde vormen en de lichte bouwstijl was het op langere termijn slecht bestand tegen de tropische weersomstandigheden. Rot vrat de schepen aan, en ze kapseisden relatief makkelijk. Toen de VOC besloot de scheepsbouw geheel te standaardiseren koos men er dan ook voor de vorm van het fluitschip aan te passen. Na 1710 bouwde de compagnie nog maar drie traditionele fluitschepen.

Kettings vorige boek, Leven, werk en rebellie aan boord van Oost-Indiëvaarders las vanwege het veelvuldige gebruik van egodocumenten bijna als een historische roman. Zo sappig is Fluitschepen voor de VOC helaas niet. Het boek is er niet minder nuttig om.