Het gevoel van de kus

In de film ‘Sea of Love’ klinkt een gelijknamig liefdesliedje dat iets van een dodelijke lokzang heeft. Het geeft de melancholie weer die zo kenmerkend is voor Californië en vooral voor Los Angeles.

De aandoenlijkste bekentenis die iemand mij ooit heeft gedaan was die van een vrouw die vertelde dat ze bij het zoenen altijd de woorden van een liedje mimede. Nu had ze wel meer eigenaardigheden. Zo hield ze van parachutespringen en van pijnlijke stiltes die ze zo lang mogelijk liet duren, maar ook van grote menigtes en dat iedereen dan tegen je opbotst. En wanneer ze een cheeseburger at, propte ze eerst wat frites in het broodje voor ze een hap nam. Maar het bijzonderste was toch dat ze tijdens het zoenen met haar mond de woorden van een liedje vormde.

Ze deed dat om zich beter te kunnen concentreren, zei ze, om niet ondertussen aan allerlei dingen te denken die het gevoel uit haar kus zouden kunnen halen: het boek waar ze in bezig was, haar werk als gids op een rondvaartboot, of wat ze nu weer met haar haar moest doen. Maar ik had het vermoeden dat ze het juist deed om zichzelf een beetje te verdoven – om, misschien uit zelfbescherming, met behulp van zo’n liedje toch vooral in haar eigen hoofd te kunnen blijven. Op dezelfde manier als sommige andere vrouwen tijdens het zoenen altijd hun ogen open houden – niet een beetje, half geloken, maar echt wijdopen, alsof ze in de gaten moeten houden of de bus er al aan komt.

Stom genoeg heb ik haar destijds niet gevraagd of het altijd hetzelfde liedje was dat ze mimede en zo ja welk, maar sinds kort ben ik erachter.

Ik had al heel lang niet meer

aan haar gedacht toen ik onlangs op televisie een mond zag die mij aan de hare deed denken, een mond die ik nota bene ook al goed kende, zij het van een afstand. Het was de mond van Ellen Barkin, de Amerikaanse actrice die in 1982 debuteerde in de film Diner, waarin ze van haar man op haar donder krijgt omdat ze hem nooit eens vroeg welk liedje er op de B-kant van zijn singletjes staat. Sindsdien is ze getrouwd geweest met de acteur Gabriel Byrne en daarna met de Revlon-biljonair Robert Perelman en heeft ze hele mooie dingen gedaan in films als Down By Law, This Boy’s Life en vooral ook, samen met Dennis McQuaid, in de New Orleans-thriller The Big Easy.

Het is een prachtige mond, breed en vol, die haar gezicht scheef openhaalt als ze lacht – en er dan een uitdrukking aan verleent waarin gevaar en verleiding te lezen vallen, maar ook verontschuldiging en oud zeer. Mooie neus ook, trouwens, een heel klein beetje een boksersneus, zoals ook de huid rond haar ogen licht opgezwollen lijkt. Allemaal van het soort schoonheid – gekwetste schoonheid, authentieke schoonheid – waar je met je leven voor betaalt als je ze zou willen bezitten.

Haar glansrol is nog altijd die van Helen Cruger in de neo-noir Sea of Love: een jonge gescheiden moeder die in een heftige liefdesaffaire verwikkeld raakt met een detective, gespeeld door Al Pacino. Die is belast met het onderzoek naar een serie moorden op mannen die een contactadvertentie hebben gezet, moorden die nota bene heel wel door haar gepleegd zouden hebben kunnen zijn. In alle gevallen heeft de moordenaar als visitekaartje op de pick-up een oud singletje achtergelaten, steeds hetzelfde singletje, en nog steeds draaiend, met de A-kant boven. Aan dit mysterieuze, bezwerende lied ontleent de film ook zijn titel.

Het lied Sea of Love werd geschreven door een zekere John Phillip Baptiste uit Lake Charles, Louisiana, die daarmee indruk wilde maken op zijn vriendinnetje en die het in 1959 onder de naam Phil Phillips ook zelf opnam voor een klein lokaal platenlabel. De begeleiding werd onder meer verzorgd door bluespianiste Katie Webster en, hartstochtelijk doowoppend op de achtergrond, zoemend als bijen soms, The Cupcakes van Cookie and The Cupcakes, die zich voor de gelegenheid The Twilights lieten noemen. In de uiterst primitieve studio, een hok ergens diep weg in de moerassen van Louisiana, waar de kikkers en wasberen over het mengpaneel hobbelden, kreeg Sea of Love een vreemde, ijle, bijna buitenaards onheilspellende klank mee – die het simpele liefdesliedje veranderde in het soort dodelijke lokzang waarmee ooit de sirenen zeelieden hun schepen op de rotsen te pletter lieten varen.

„Come with me, my love, to the sea, the sea of love” – er is meer tekst, iets over „the night we met” en hoeveel hij van haar houdt, maar die doet nauwelijks terzake. Het gaat om dat ene zinnetje en vooral ook om de intonatie van Phillips: beverig, androgyn, lichaamloos – een stem in een fles, dobberend op de donkere golven van het hiernamaals.

Toen ik het voor het eerst hoorde, vijftien jaar nadat het in Amerika een grote hit was geweest, moest ik direct denken aan een passage uit het boek Watership Down, de Odyssee voor konijnen van Richard Adams die ik toen aan het lezen was – ik en everybody else. Daarin belandt de van huis en haard verdreven roedel van Hazel en de zijnen op een gegeven moment in een holencomplex waar de konijnen opvallend glanzend van vacht en nat van neus zijn. Fiver, Hazels mediamiek begaafde sidekick, voelt dat er hier iets heel erg mis is, vooral ook omdat iedereen zo vaag doet over de bewoners die er met grote regelmaat spoorloos blijken te zijn verdwenen. Maar hij kan er pas de poot op leggen wanneer hij de bard van de andere roedel een lied heeft horen zingen. Een lied dat gecomponeerd zou kunnen zijn als spiegelsong van Sea of Love.

In het eerste couplet gaat het om de wind die rusteloos over de heuvels raast, op weg naar de rand van de wereld, en dan ook daar overheen. „Neem mij mee, wind”, zingt de bard, Silverweed, „de hemel in, ik zal het konijn-van-de-wind zijn.” In het tweede couplet wil hij achter het water aan, mee met de stroom, „de nacht in, naar de sterren, ik zal het konijn-van-de-beek zijn.” En in het slotcouplet vraagt hij Frith, de konijnengod, om hem mee te voeren naar „het hart van het licht, de grote stilte – want ik ben bereid om u mijn adem te geven, mijn leven.” We hebben hier, kortom, te maken met een konijn dat gewillig gehoor geeft aan de lokroep zoals die verklankt is in Sea of Love. Kort na Silverweeds optreden komen Hazel en de zijnen er achter dat de konijnen in deze burcht hun comfort te danken hebben aan een boer die hen voortdurend van voedsel voorziet, maar hen ondertussen omringd heeft met een uitgebreid systeem van dodelijke klemmen en vallen.

Een andere, vergelijkbare

echo van Sea of Love vond ik in diezelfde tijd, 1974, in de songs op de in dat jaar uitgekomen elpee Late For The Sky van Jackson Browne, de Amerikaanse zanger en songschrijver die als geen ander de onderstroom van aan doodsverlangen grenzende melancholie heeft verklankt die zo kenmerkend is voor Californië. En met name voor Los Angeles, een stad die zichzelf voortdurend de spiegel van een apocalyptische catastrofe voorhoudt. „Ik weet niet wat er gebeurt wanneer je doodgaat, ik kan het maar niet bevatten, het is als een lied dat ik in mijn hoofd hoor, maar niet zingen kan”, heet het in For A Dancer. „Aan je leven ontspringt eenzaamheid, als een fontein aan een vijver”, aldus Fountain of Sorrow. In Before the Deluge grenst de gelatenheid aan het mystieke: „Let creation reveal it’s secrets by and by: when the light that’s lost within us reaches the sky.” En tenslotte, uit Your Bright Baby Blues: „Als je mij net zo nodig hebt als ik jou, heb ik nog maar één verzoek: take my hand and lead me to the hole in the garden wall, and pull me through.” En achter die tuinmuur, daar ligt, zoals elke giraffe weet, alleen nog, in al zijn oneindigheid, „the sea, the sea of love.”

Toch heeft het feit dat de vrouw-die-zo-van-pijnlijke-stiltes-hield op een sirenenlied kauwde tijdens het zoenen haar kus achteraf niet de smaak van de dood verleent. No, sir. En ook dat is te danken aan Ellen Barkin in Sea of Love – en dan vooral aan het moment dat zij, bij Al Pacino thuis, abrupt hun eerste kus afbreekt, een paar snelle stappen achteruit doet en tegelijk haar rode leren jasje uitrukt met de resoluutheid van iemand die op het punt staat in het water te springen om een drenkeling te redden.

Het volgende moment kleven ze, mond op mond, halverwege het plafond tegen de muur, opgetild door lust, het pure spul van het leven zelf.