Het einde van de literatuur

Ik ben ervan overtuigd dat binnen niet al te lange tijd, laat ons zeggen, binnen een eeuw, er geen romans meer zullen worden geschreven.

Zet de vorige zin tussen aanhalingstekens, hij werd geschreven door Louis Couperus – bijna een eeuw geleden. ‘Zo voorspel ik het u; denk nog maar eens over een eeuw aan mij!’ Ikzelf denk vaak aan Couperus, vooral wanneer hij in een of andere literaire populariteitspoll weer eens hopeloos afwezig is of pijnlijk achterop sukkelt, en dan vraag ik me af waarom het toch niet lukt de beste Nederlandse romanschrijver aller tijden precies dát te laten zijn, schrijver van een handvol meesterwerken, die mij meer over mijzelf en de wereld hebben geleerd dan welke filosoof dan ook. Couperus is een denkend schrijver, soms visionair – en het is tragisch dat zoveel van zijn bewonderaars hem hebben opgezadeld met die afschrikwekkende Indisch-Haagse tuttigheid.

Maar daar zat Couperus niet mee toen hij een kleine eeuw geleden zijn voorspelling deed. ‘Als ik rondom mij zie, in de kring van familie en kennissen, zie ik de roman als quantité négligeable beschouwd. Mijn familie leest zelfs mijn romans niet; mijn kennissen zeiden mij vaag, met slappe handdruk, gedurende de laatste jaren reeds: ,,Zo… heb je weer een roman geschreven? […]’’ Mijn vriend leest nooit romans, zelfs niet in het Italiaans; mijn vrouw leest evenmin nooit meer romans; zij leest wel even de mijne door, uit beleefdheid…’ De enigen die nog romans lezen, sombert hij, zijn de critici, ‘werktuigelijk, uit de aard van hun métier.’

Ach, de dood van de roman – het aanzeggen ervan geldt allang als een cliché. Zeggen dat zolang de roman bestaat, er gesproken wordt over de dood van de roman, is inmiddels ook een cliché. De vraag is: waarom wordt er zoveel over het einde van de literatuur gesproken?

In het tweede deel van zijn memoires valt de Amerikaanse schrijver Gore Vidal Couperus bij: ‘Recentelijk merkte ik tegen een passerende taperecorder op dat ik eens een beroemde romancier ben geweest. Toen me beleefd verzekerd werd dat ik nog steeds bekend was en gelezen werd, legde ik uit wat ik bedoelde. Ik zei dat ik het niet over mezelf had maar over een categorie waartoe ik ooit behoorde en die nu niet meer bestaat. Ik ben er nog steeds, maar de categorie niet. Als je tegenwoordig spreekt van een beroemd romancier is dat hetzelfde als wanneer je het over een beroemde kastenmaker of ontwerper van speedboten hebt.’

Vidal geeft Couperus postuum gelijk: er zijn heus genoeg romanschrijvers, sommigen zijn heel bekend, maar ze doen er niet meer toe

Nog meer bijval krijgt Couperus van de Tsjech Milan Kundera, die in zijn lange essay Le rideau (Het gordijn) nog een laatste keer de lof zingt van de roman als middel om mens en wereld te leren kennen. Het is een lofzang doortrokken van weemoed, want hij ziet de lange traditie van de roman ten einde komen. Men wil de wereld, met al zijn nuances en tragische tegenstrijdigheden, helemaal niet meer leren kennen zoals ze is; je kunt jezelf veel beter koesteren met het sentimentele cliché, de particuliere emotie of de rotsvaste overtuiging. ‘Ik denk vaak: het tragische heeft ons verlaten; en dat is misschien de ware straf.’

Als dat laatste waar is, dan is dat een dodelijk inzicht. In zijn pamflet La littérature en péril probeert de Bulgaars- Franse essayist Tzvetan Todorov juist vol humanistische goede moed te zijn: het is waar dat de literatuur aan belang verloren heeft, maar dat komt vooral doordat ze zo slecht onderwezen wordt. Docenten op school en aan de universiteit – in Frankrijk, let wel – zijn doordesemd van literatuurtheorie en zijn geneigd een roman vooral als tekst te zien; leerlingen worden doodgegooid met formele aspecten van die tekst. Ze leren, met andere woorden, hoe die tekst geschreven is, niet waar die over gaat. Er is een kloof ontstaan tussen de literatuur en de wereld, omdat docenten en critici aan een akelig soort smetvrees lijden: een roman zou je eens iets over jezelf en de wereld kunnen vertellen!

In Nederland met zijn uittrekselonderwijs en impressionistische literatuurkritiek (‘een boek dat je het beste kunt lezen met een glaasje prosecco aan het strand, maar op de bank met een kopje thee valt er ook goed van te genieten!’) kan je nog wel eens verlangen naar die door Todorov gesmade al te theoretische literatuuropvatting.

Maar hier is grofweg hetzelfde aan de hand: een gestage ontmanteling van de literaire cultuur. Ook hier zijn critici en docenten massaal in de val van het structuralisme gelopen, ook hier heeft bij de fijnproevers de afkeer van de massale hang naar realisme en herkenningslectuur ertoe geleid dat serieuze literatuur in een benauwend klein reservaat terecht is gekomen. In een radioprogramma over literatuur – natuurlijk alweer opgeheven – hoorde ik eens een groepje schrijvers en critici klagen over hoe alles tegenwoordig autobiografisch moest zijn, en dat literatuur vooral buitenkant was geworden, enzovoort. Besloten werd met de grootste dooddoener van allemaal: het enige wat ertoe deed was stijl. ‘Het doet er niet toe waarover je schrijft, het gaat erover hoe je erover schrijft.’

Dat zinnetje, dat in ieder gesprek of debat over literatuur nog wel een keer voorbij komt, heeft een vernietigende invloed gehad op de Nederlandse literatuur. Vertel dat maar eens aan Primo Levi, dat het enige verschil tussen hem en, pakweg, Heleen van Royen een kwestie van stijl is. In zijn pamflet legt Todorov geduldig uit dat alle manieren om een roman te doorgronden – theoretisch, biografisch, filosofisch – nuttig zijn en geoorloofd, zolang ze maar middel zijn en geen doel. Het doel is: waar gaat deze roman over, wat leert deze roman mij over mijzelf en over de wereld? Wanneer die vragen weer vanzelfsprekend zijn, denkt Todorov, dan wordt de band tussen literatuur en maatschappij hersteld – en kan de roman weer echt belangrijk worden.

Je helpt het hem hopen, maar in Nederland zijn de voortekenen niet veelbelovend. In een poging om aan het ernstig gekrompen reservaat van de Nederlandse literatuur te ontsnappen, kiest men haastig eieren voor zijn geld. De hoogleraar Nederlandse literatuur Thomas Vaessens denkt literatuur weer een belangrijke plaats in de samenleving te kunnen geven door Helen van Royen voortaan tot de canon toe te laten. Een veelbelovende criticus als Hans Goedkoop, die in zijn stukken zocht naar antwoorden op de vragen die Todorov van levensbelang acht, presenteert tegenwoordig kennelijk liever literaire quizzen op televisie, in naam van de gezelligheidsvereniging Literatuur. Wat nodig is, is een toegankelijke kritiek en onderwijs, die uitleggen waarom Couperus je meer over de wereld te zeggen heeft dan Heleen van Royen, en waarom liefde voor literatuur meer is dan het letterlijk kunnen citeren van De avonden. Misschien heeft het, zoals Kundera denkt, geen zin meer, misschien is de literatuur inderdaad een verloren zaak. Ik denk van niet.