Gaan waar de vogels gaan

Van de uil van Athene tot de ooievaars van Rosenboom: vogels zijn dragers van menselijke gevoelens, fantasieën en gedachten. Dat vindt de filosoof Ton Lemaire, die de levende natuur het liefst verbindt met de antropologie.

Ton Lemaire: Op vleugels van de ziel. Vogels in voorstelling en verbeelding. Ambo, 428 blz. € 39,95

Waarom is de raaf zwart? Volgens de Fransen omdat hij mensenvlees had gegeten. In Oost-Siberië vertelt men elkaar het verhaal dat de raaf zwart is omdat hij de jongen van het sneeuwhoen verorberde; de koning onder de vogels, de arend, heeft hem hiervoor gestraft met de kleur zwart. En volgens een ander verhaal, ook uit Siberië, heeft een watervogel, de fuut, de raaf met houtskool beschilderd terwijl hij sliep.

In de omvangrijke, cultuurhistorische studie Op vleugels van de ziel. Vogels in voorstelling en verbeelding verdiept Ton Lemaire (1941) zich in de betekenis van vogels. Lemaire is filosoof en antropoloog die de vogels niet zozeer in de vrije natuur bestudeert, als wel in literatuur, mythe, religie en beeldende kunst. Hij ziet het vogelleven als ‘een zichtbare en poëtische analogie’ van het mensenleven. Vogels zijn dragers van menselijke gevoelens, fantasieën en gedachten. Op elke bladzijde van Op vleugels van de ziel spreekt Lemaire de overtuiging uit dat het esthetische en spirituele dieren zijn.

Lemaires boek is een associatief geschreven neerslag van een ‘levenslange passie’ voor vogels. Zijn onderzoek reikt verder dan de ornithologie. Hij beschouwt de vogel als symbolische en mysterieuze verschijning, even ongrijpbaar als dichterlijk. Vogels dragen vele betekenissen. Ze zijn, om twee uitersten te noemen, zowel goddelijke boodschappers als bodes van de dood. Ze brengen nieuw leven, zoals de ooievaar, en ze kondigen onheil aan, zoals de zwarte kraai of de uil. De vliegkunst van vogels maakt hen tot bemiddelaars tussen goden en mensen, tussen hemel en aarde.

In de antieke oudheid bestond er een wijdverbreid ritueel, de vogelwichelarij. Belangrijke beslissingen over veldtochten of het bouwen van een tempel werden genomen op voorspraak van wichelaars, die er geheime regels op na hielden om aan vliegrichting van vogels of hun roep betekenis toe te kennen. Hoewel deze kunst nu niet meer bestaat, vervullen vogels nog steeds een symbolische rol. De zwaluw is brenger van de lente, de ooievaar bezorgt kinderen en nog altijd is de zwartglanzende raaf onheilsprofeet.

In eerdere boeken, zoals De tederheid (1968), Filosofie van het landschap (1970) en De leeuwerik (2004), legt Lemaire een voorkeur aan de dag voor een methode die de grenzen van de wetenschap overschrijdt. Sprookjes, religie, mythologie, bijgeloof, schilderkunst, poëzie en literatuur zijn voor hem evenzovele bronnen om zijn onderwerp in kaart te brengen. Hij beoefent de etno-ornithologie, de tak van wetenschap die de levende natuur verbindt met de antropologie. Adelaars zijn bijvoorbeeld niet alleen de grootste vliegers in het dierenrijk, ze spelen een beslissende rol onder Amerikaanse indianenstammen. Een uil is in vogelkundig opzicht een geluidloze nachtjager die naar zijn prooi speurt op gehoor en gezicht. Voor veel mensen in uiteenlopende culturen is de uil het zinnebeeld van angst en dood. Denk aan de roep van de bosuil als dreigend geluidsdecor in films. In de Griekse mythologie daarentegen vertegenwoordigt de uil wijsheid.

De wetenschappelijk verantwoorde ornithologie geniet bij Lemaire nauwelijks belangstelling. In de antropomorfe methode van verering en heiligverklaring is projectie het sleutelwoord; spreekwoorden en gezegdes kennen menselijke eigenschappen aan vogels toe, zoals ‘zo dom als een uil’ of ‘trots als een pauw’. De studie naar humane eigenschappen van vogels dateert uit de late 18de eeuw, tegelijkertijd met de ontwikkeling van de biologie tot zelfstandige wetenschap. Volgens de biologie zingen vogels om het territorium af te bakenen en een partner te lokken. Volgens de religieus geïnspireerde cultuurhistorie zingt de vogel om God te loven. Dat vogels kunnen vliegen en dus de zwaartekracht overwinnen, heeft hun symbolische functie versterkt. Vliegen heeft de mensen altijd gefascineerd. De mens die wilde vliegen, zoals Icarus, imiteerde vogelvleugels.

Verlangen

Lemaire citeert vooral dichters die de vogel verbinden met verlangen. Het is daarom niet verwonderlijk dat romantici als Goethe, Hölderlin, Keats, Byron, Shelley en bij ons Jan van Nijlen en P.C. Boutens het sterkst zijn vertegenwoordigd. Daarnaast put Lemaire uit een overvolle boekenkast met antropologische studies. In de prehistorie tekende de mens de vogel in jachtscènes. Amerikaanse indianen tooiden zich met de veren van arenden die op rituele wijze, door wurging, werden gedood. Lemaires boek heeft verschillende niveaus: we kunnen het lezen als vademecum bij elke vogel zoals die in de cultuur te boek staat. Het is ook een bloemlezing fantastische vogelverhalen over de houding van de mens tot de vogel.

Dat zijn onderzoek reikt vanaf de prehistorie tot heden, zoals het voorwoord betoogt, is onjuist, zeker in het licht van de moderne Nederlandse literatuur. Kortgeleden is de vogelbloemlezing Licht zijn en de wolken tillen verschenen. Ook mis ik boeken van Maarten ’t Hart die met Stenen voor een ransuil, Een vlucht regenwulpen en De ortolaan de betekenisvolle band tussen mensen en genoemde vogels heeft beschreven. Thomas Rosenboom opent zijn roman Publieke werken met een sterk symbolische scène over ooievaars die, gelokt door de geur van vis, een vishal binnenvliegen en daaruit niet kunnen ontsnappen. Ze vallen dood neer door uitputting. Dit beeld is niet alleen literair, het is ook in cultuurhistorisch perspectief te plaatsen. De mens toont zich onverschillig jegens het lot van de ooievaars.

Deze onverschilligheid zou mooi gepast hebben in Lemaires betoog. Hij toont zich bezorgd over de teloorgang van oude waarden, waarin de mens leeft in samenhang met zijn omgeving. ‘Want zoals we weten’, stelt hij, ‘wordt onze aarde bedreigd door de fatale samenhang tussen ontwikkeling en vernietiging, tussen vooruitgang en verlies.’ De mens zou, zoals de vroegere volken, moeten beseffen dat ‘wij samen met de dieren als medeschepsels en metgezellen deel uitmaken van het weefsel van het leven’. Tegenwoordig zijn vogels geen boodschappers meer en ontlenen we aan hun vlucht en verschijning geen voortekens. De huidige cultuur is er een van techniek en industrie, waarin voor spiritualiteit geen plaats is.

Opvallend in de volksvertellingen overal ter wereld zijn de verschillende betekenissen die aan een vogel worden toegekend. In Nederland bijvoorbeeld dacht men lang dat de koekoek ’s winters verandert in een sperwer. In Engeland zagen jonge vrouwen de koekoek als teken van vruchtbaarheid en vereerden hem. Omdat deze vogel een broedparasiet is die in andere nesten het ei legt, geldt hij als symbool van zowel lafheid als lichtzinnigheid. Uilen werden vroeger tegen de staldeuren gespijkerd om boze geesten te verdrijven.

Duistere zijde

De menselijke houding jegens de vogel heeft ook een duistere zijde. De mens jaagt op vogels en schiet ze af, nog steeds. In de 19de eeuw, de tijd die Lemaire zo idealiseert, werden tijdens de trek vogels bij honderdduizenden neergeschoten, gewoon, uit sport en tijdverdrijf. Onze vogelwetenschapper Jac.P.Thijsse heeft hierover fel geschreven in zijn befaamde Het Vogeljaar uit 1903. De houding van jagers ten aanzien van vogels zou een aparte studie vergen, een zwartboek van de mens in de natuur. Lemaire kiest echter voor de lyrische optiek. Wel laat hij zich laatdunkend uit over de toename van het ‘spotten’ van vogels, dat volgens hem niets natuurliefde te maken heeft maar met drang te scoren. Hoewel er voor zijn cynisme iets te zeggen is, weten we dankzij deze waarnemers meer dan ooit over vogels en vogeltrek. Het is de klacht van iemand die het verleden verheerlijkt. Wetenschap is niet per se onttoverend. Deze kritische kijk had Lemaire beter achterwege kunnen laten, omdat hij niet op de hoogte is. Nederland kent tal van waarnemers die hun werk op hoog niveau verrichten en de vogelwereld nauwlettend in kaart brengen. Hierdoor zijn zij ook beschermers van de vogelstand.

Lemaires kennis komt voort uit zijn obsessie met het verleden. Hij geeft details van het gedrag van de mens in het oude boerenland, zoals de gewoonte die in Duitsland en Oostenrijk bestond om korenhalmen achter te laten op het veld voor de leeuweriken. De laatste schoof van de graanoogst heette ‘Lercherl’. Lemaire interpreteert dit gebruik als een eerbiedige geste van de mens aan vogels. Hij gaat er vanuit dat de betekenis veldleeuwerik is. Dat klopt niet. Het wrange is namelijk dat ‘Lercherl’ in het Oostenrijks een schertswoord is voor Oost-Europese jood. Dit is temeer een bewijs dat in Op vleugels van de ziel de hooggestemde optiek het wint van de werkelijkheid.