Eigen generaals bedreigen Thailand het meest

Sinds hun staatsgreep van vorig jaar propageren de Thaise machthebbers de ‘economie van het genoeg’. Maar het levert almaar minder op. En het zwalkende beleid daarbij is niet meer uit te leggen.

Het dorpshoofd kan er nog om lachen. Een paar weken geleden kon iedereen in zijn dorpje 90 baht (2 euro) krijgen wanneer ze naar Chang Mai zouden komen met de laatste vruchten van hun akker – om daar de nieuwe regering toe te juichen, om een aubade te brengen aan de nieuwe economische politiek: de sufficiency-economie, de ‘economie van het genoeg’. „Dan zeggen ze dat de regering van Thaksin corrupt was, maar de generaals betalen ook gewoon 90 baht per man om het plein vol te krijgen. De mensen hier hebben vooral bananen meegenomen, die zijn nog gepland van de gunstige leningen van Thaksin.”

Het noorden van Thailand was het thuisland van de afgezette democratische populist Thaksin Shinawatra, dus het dorpshoofd zal lichtelijk partijdig zijn. Zijn naam wil hij niet op schrift, want een democratie is zijn land immers sinds 19 september vorig jaar even niet meer. Maar partijdig of niet, zijn scepsis lijkt representatief voor de algemene stemming – wat heeft de vriendelijke staatsgreep nou eigenlijk voor de economie opgeleverd behalve deze term?

De nieuwe machthebbers onder aanvoering van premier Surayud Chulanont propageren de sufficiency-economie. Dat moet het antwoord zijn op het ontketende kapitalisme waarop premier Thaksin zijn land zes jaar lang had getrakteerd en dat naast een onstuimige en corrupte kaste van nieuwe rijken ook groei en enige welvaart onder de arme boeren had gebracht.

Voor de sufficiency-economie moet men te rade bij de oude, wijze en aanbeden koning van Thailand, Bhumibol, die daarover al meer dan dertig jaar spreekt. In een toespraak van 4 december 1998 zegt de koning: „Het idee achter de sufficiency-economie is om alles met mate te doen volgens iemands vaardigheden en middelen, niet te extreem, niet te hebzuchtig. Wees redelijk, een mens mag enige luxe bezitten maar niet ten koste van anderen.”

Het is een verklaring ten faveure van beschaving en tegen nouveau riche, maar het blijft toch meer een appel aan de innerlijke belevingswereld van de boeddhist dan een theorie waarmee economen aan de slag kunnen. Omdat de koning sacrosanct is en majesteitsschennis gauw is gepleegd, zal geen Thaise econoom erom lachen, maar voor het handboek economie blijft de term ongeschikt.

Niet alleen de eenvoudige boeren, die met een kleine vergoeding toe kunnen, worden ingewijd in de idealen van de sufficiency-economie. Scholen in de grote steden hielden tekenwedstrijden deze maand om de theorie in beeld te brengen. De betere tekenaars lieten vriendelijke boeren met een hand vol rijst op grote wandschilderingen verschijnen. De schilderende kinderen zullen het gehoord hebben van hun onderwijzers en hun boodschap liet geen ruimte voor misverstanden: bij de sufficiency-economie is het vooral een stuk knusser en vriendelijker in Thailand.

Maar behalve dat het goed klinkt als contrast tegen het populistische kapitalisme van de vermaledijde Thaksin en behalve dat niemand bezwaar kan hebben tegen de matigende mens, blijft de sufficiency-economie een raadsel. In de dagelijkse praktijk lijkt de koers van de gepensioneerde generaal nog het meest op gestuntel. Een enquête van de Internationale Kamer van Koophandel leverde onlangs een heldere conclusie op: de grootste bedreiging voor de Thaise economie is de regering zelf.

De sufficiency-economie moet, aldus de premier, ervoor zorgen dat Thailand weerstand biedt aan de schokken van de wereldeconomie. In december kwamen er wetsontwerpen om buitenlands eigendom in cruciale bedrijfssectoren tot minder dan 50 procent te reduceren en deviezen te controleren. De beurs van Bangkok nam daarop een spontane duik, waarop de minister van Financiën zich haastte om uit te leggen dat het allemaal nog maar voornemens waren. Vervolgens ontstond een openlijke discussie over de definitie van wat nou precies cruciale bedrijfssectoren zijn.

Aanvankelijk leek het wetsontwerp een soort wraak op de verjaagde Thaksin, die zijn telecombedrijf voor meer dan 1,5 miljard euro aan een Singaporees staatsbedrijf had verkocht. Die transactie zou op deze manier ongedaan kunnen worden gemaakt. Maar vervolgens draaide de minister van Financiën wat bij en sprak over lange overgangstijden en „slechts delen van de telecomindustrie”, die in Thaise handen terug moesten komen. De juntaleider zelf, generaal Sonthi Boonyaratglin, zei in een televisietoespraak dat zijn land „om redenen van nationale veiligheid in elk geval de aandelen in het satellietbedrijf” van Singapore terug wil hebben.

Het ministerie van Handel deed vervolgens ook een duit in het zakje van de sufficiency-economie. Het stelt voor om transport van goederen binnen Thailand voortaan exclusief door Thaise bedrijven te laten verrichten. Mocht dat doorgaan, dan hebben firma’s als Federal Express in Thailand de laatste jaren al te uitbundig uitgebreid.

Maar gaat het door?

Volgens Rodney Tasker, die al jaren in Thailand woont en schreef voor de Far Eastern Economic Review, is er sprake van „een complexe stemming van onzekerheid en dubbelzinnigheid. De regering wil investeerders te vriend houden, maar er hangt ook een sfeer die neigt naar economisch nationalisme”, vertelt hij. Voor de traditionele middenklasse speelt hierbij ook mee dat buitenlanders na de Aziëcrisis (’97-’98), die in Thailand begon, goedkoop Thaise bezittingen hebben kunnen opkopen. Buitenlanders en de nieuwe rijken van Thaksin profiteerden, er was corruptie en de oude elite had het nakijken. Dat steekt minstens zozeer als de rauwe globalisering van de Thaise economie. Tasker: „Allerlei staatsbedrijven gingen onder Thaksin naar de beurs, maar aandelen waren vaak al opgekocht voordat de beurs van Bangkok ’s ochtends haar computers aanzette. Daar is veel geld verdiend door mensen die dichtbij het vuur zaten in de Thaksin-jaren.”

Tegen deze achtergrond lijkt sufficiency-economie ook een poging van de traditionele elite in Bangkok om enige regie terug te krijgen die hun in de economie na de Aziëcrisis en na de liberalisatie- en privatiseringsgolven van Thaksin is ontnomen. Probleem blijft alleen dat alle plannen van de nieuwe machthebbers tot nu toe halfslachtig zijn en contraproductief.

Op de laatste dag van februari stapte minister van Financiën Pridiyathorn onverwachts op. De verklaringen bleven vaag, maar de ex-chef van de centrale bank was een man van gezag en zijn vertrek alleen al daarom slecht nieuws. Alles wijst erop dat hij kordater de stappen naar renationalisatie had willen zetten dan de aarzelende generaals in zijn omgeving aandurfden. Ook de belangrijkste adviseur van de premier, speciaal aangesteld om buitenlandse investeerders het nieuwe beleid uit te leggen, nam ontslag. Ook hij zei niet waarom, maar moeilijk te raden was het niet: het zwalkende beleid was niet meer uit te leggen.

Enkele weken na de staatsgreep stond de plechtige opening van de nieuwe internationale luchthaven van Bangkok, Suvarnabhumi, op het programma. Het gebouwencomplex is een imposant bewijs van internationale dynamiek, groot, gedurfd en met tien- tot zestienbaanswegen eromheen. Premier Thaksin had het draaiboek voor de feestelijkheden klaar. Dat draaiboek kon na de coup in de kast, maar een feest moest het ook van de nieuwe machthebbers worden. Met eendracht en succes eigenden de generaals samen met koning Bhumibol zich in de officiële plechtigheden het vliegveld toe. Het werkte wonderwel. Nog steeds staat er ‘long live the king’ op de slurfen.

Alleen raakten vervolgens aan de lopende band koffers kwijt en zitten er inmiddels zoveel scheuren in de landingsbanen dat vanaf 24 maart de oude luchthaven aan de andere kant van de stad ook maar weer is opengegaan.