Deze, die of toch een andere?

In zijn ‘Scrapbook’ laat fotograaf Henri Cartier-Bresson zien hoe hij in 1946 tegen zijn eigen werk aankeek. De verrassing zit hem in tritsjes foto’s van hetzelfde onderwerp.

In de weliswaar niet onbegrijpelijke maar toch wat voorbarige overtuiging dat hij in krijgsgevangenschap was omgekomen, begon het Museum of Modern Art in New York in 1942 met de voorbereiding van Henri Cartier-Bressons postume overzichtstentoonstelling. Her en der werd gezocht naar beschikbare foto’s maar die bleken er nauwelijks te zijn. Geen wonder, want de Fransman had in het decennium voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog weliswaar in kunstenaarskringen naam gemaakt, daarbuiten was hij als fotograaf nog tamelijk onbekend. De Amerikanen hadden hun plan al bijna opgegeven toen ze ontdekten dat Cartier-Bresson gevangenkamp, ontsnapping en onderduik wel degelijk had overleefd en de expositie – zij het anders dan voorzien – doorgang kon vinden.

Cartier-Bresson (1908-2004), net als veel van zijn collega’s door de voorafgaande oorlogsjaren danig in zijn ambities beknot, zocht enthousiast zijn negatieven bij elkaar, drukte zo’n 350 foto’s af waarvan hij meende dat ze in aanmerking kwamen voor de presentatie en reisde in mei 1946 af naar New York. Bij aankomst schafte hij een plakboek aan om die stapel afdrukken, met 9 bij 12 centimeter niet groter dan familiekiekjes, wat presentabeler te maken.

Scrapbook stond er in reliëf op het omslag van de forse foliant die hij nadien zorgvuldig verborgen zou houden, al was het maar omdat hij een bloedhekel had aan historisch onderzoek naar zijn werk. Maar zoals dat nu eenmaal gaat: is de fotograaf dood dan komt zijn archief tot leven. Dus is het Scrapbook nu in boekvorm verschenen, als catalogus bij een expositie die na de première in Parijs momenteel te zien is in het International Center of Photography in New York.

Volgens de Fondation Henri Cartier-Bresson, beheerder van het archief en verantwoordelijk voor de uitgave van het boek, is de publiekseditie een „gerestaureerde en gereconstrueerde” versie van het origineel. Wie op grond daarvan een in druk nagebouwd historisch object verwacht, komt evenwel bedrogen uit. Welgeteld dertien gele bladen uit het origineel zijn in de moderne variant gereproduceerd; ieder blad met een fotootje of acht. De overige ruim 180 beeldpagina’s zijn ‘gewoon’ gevuld met foto’s. Die hebben weliswaar ooit in het origineel gezeten maar baden nu – alleen of met z’n tweetjes maar altijd op hun oorspronkelijke formaat – keurig in modern helder wit; net als in vrijwel ieder ander hedendaags-of-niet fotoboek dus.

Maar goed, dat kon ook niet anders. Er bleef nu eenmaal niet meer over nadat Cartier-Bresson zelf eind jaren tachtig het origineel ontmantelde, vermoedelijk omdat het zuurhoudende plakboekpapier de foto’s danig begon aan te tasten. Waarom hij evenwel de sloop uitvoerde zonder de pagina’s vooraf te documenteren, is en blijft een raadsel.

De ‘reconstructie’ bestond

dus vooral uit het weer bij elkaar puzzelen van de foto’s die er oorspronkelijk in zaten. Aan de hand van bewaard gebleven afdrukken, inventarislijsten en correspondentie. Op een handvol afdrukken na schijnt dat te zijn gelukt. En al is het resultaat dan niet het object dat het lijkt te zijn, het is een intrigerende aanvulling op de uitdijende ‘HCB-bibliotheek’.

Als Scrapbook iets laat zien dan is het hoe de 38-jarige Cartier-Bresson in 1946 aankijkt tegen zijn werk van de voorgaande vijftien jaren (tien eigenlijk, de oorlogsjaren buiten beschouwing latend). Natuurlijk is een fors aantal foto’s al lang en breed bekend. De straattaferelen en bordeelscènes, gemaakt tijdens een reis door Mexico in 1934, figureerden al eerder prominent The Early Work (1987), Mexican Notebooks (1995) en in eigenlijk alle overzichtswerken. De tegen zijn handelswaar slapende straatventer in Barcelona (1933), de twee mannen spiekend door het buitendoek van een tent (Brussel, 1932), de familie dinerend aan de oevers van de Marne (1936) – het zijn standaardfoto’s in ieder retrospectief. Net als het handvol kunstenaars- en schrijversportretten, gemaakt in het laatste oorlogsjaar of net erna al: Matisse, met zijn ene hand de duif schetsend die hij in de andere vasthoudt, Jean-Paul Sartre bij de Pont des Arts. Al blijft het verbazen, de vaak wat grijze, flodderige afdrukjes de hij er zelf van maakte. Maar ja, hij had een bloedhekel aan het donkere-kamerwerk en dat zou zijn leven lang zo blijven.

Nee, de verrassing zit elders. In de non-descripte observaties en tafereeltjes die nadien niet meer terugkwamen, en in de regelmatig opduikende tritsjes foto’s van een en hetzelfde onderwerp – een vader en zoon op een balkonnetje, op straat slapende mensen, spelende kinderen, zomervertier aan de waterkant: vier, vijf foto’s en je ziet hem ter plekke zoeken naar het moment dat eigenlijk het beste is. Het beslissende, in de ‘theorie’ waaraan zijn naam onverbrekelijk verbonden zou raken. En ook in de donkere kamer en het Scrapbook komt hij er niet helemaal uit. Deze, die, toch een andere?

Een fotograaf die soms tastend zijn weg zoekt – dat zie je. Gewoon vlees en bloed dus, en nog zonder het aureool van onfeilbaarheid dat hij nadien om zich heen zou krijgen. Zo erg verbaast het dan niet om te ontdekken dat die beroemd geworden foto van een man springend over een waterplas achter het Gare St. Lazare in Parijs, oorspronkelijk een stukje groter was. Op de afdruk in het Scrapbook, vertoont zich aan de linkerkant de zware schaduw van een traliehek – niks het hele-negatief-en-niets-dan-het-negatief dus zoals hij het later zo streng kon verordonneren.

Gaandeweg de chronologisch

geordende foto’s in Scrapbook zie je de toonzetting van zijn werkwijze verschuiven. De surrealistische speelsheid van de beginjaren – de kleine observaties waarin steevast iets wringt tussen voor- en achtergrond, hoofdrolspelers en decor, handeling en stilstand – wordt langzaam maar zeker ingeruild voor de wijdere blik van de beeldverhalen vertellende reportagefotograaf. Het scharnierpunt ligt misschien wel bij de serie die hij in 1937 in Londen maakte rondom de kroning van George VI; de kersverse koning in geen velden of wegen te bekennen, de gebeurtenis geschetst aan de hand van het toegestroomde publiek.

Zo’n vijfenzeventig foto’s zou de tentoonstelling in het Museum of Modern Art moeten gaan omvatten, had Cartier-Bresson verzonnen. Het werden er uiteindelijk twee keer zoveel; in de index van het Scrapbook is terug te vinden wat wel en wat niet werd gebruikt. Na de première, van februari tot en met april 1947, zou het geheel drie jaar lang door Amerika reizen. Het was het begin van de beroemde fotograaf Henri Cartier-Bresson. Althans, in Amerika. In Frankrijk duurde het nog tot 1955 voor hij zijn eerste tentoonstelling kreeg. Maar dat was er dan ook direct een van 400 foto’s.

In 1946 werd hij fotograaf, zou Cartier-Bresson later vaak zeggen. Voor die tijd fotografeerde hij alleen maar. Die verandering zit verstopt in Scrapbook. Al zal hij ongetwijfeld ook een beetje gedoeld hebben op Magnum, het invloedrijke fotoagentschap waarvan hij medeoprichter was. Maar ja, ook dat had weer met dat plakboek te maken. Want het plan voor dat eigen fotografencollectief smeedde hij met oude vrienden Robert Capa en Chim Seymour tijdens een etentje in het restaurant van het Museum of Modern Art, ter gelegenheid van zijn tentoonstelling.

Henri Cartier-Bresson: Scrapbook. Uitg. Thames & Hudson, ca. 70 euro. Tentoonstelling: t/m 29 april, International Center for Photography (1133 Avenue of the Americas at 43rd Street, New York, inl. www.icp.org)