De barbaren zijn wij

Sigmund Freud is onderwerp van kritiek, hoon en loos gepraat. Maar nu al zijn werk is uitgegeven en vertaald, kan iedereen hem zelf bestuderen. In de Week van de Psychiatrie doet een schrijver verslag van zijn leeservaring.

Sigmund Freud: Werken. Elf delen, chronologisch opgezet en met ruim honderd nog niet eerder in Nederland vertaalde en gepubliceerde artikelen. Bezorgd door Wilfred Oranje. Boom, € 999,95 (incl. cd-rom met complete tekst).

Roem banaliseert. Absolute roem banaliseert absoluut.

Van Proust is vooral het koekje over – wat, hoewel ik geen onvoorwaardelijke aanhanger van hem ben, zijn werk geen recht doet. Kafka is uitgemond in een bijvoeglijk naamwoord waarmee vagelijk iets onaangenaam bureaucratisch is bedoeld. Hannah Arendt heeft de twijfelachtige eer dat haar werk telkens opnieuw wordt teruggebracht tot ‘de banaliteit van het kwaad’. Frans Kellendonk is iets soortgelijks overkomen met zijn ‘oprecht veinzen’. Ook zo’n citaat waarin iedereen wel iets kan vinden wat hem aanstaat.

En dan is er uiteraard Sigmund Freud (1856-1939). Freud is ruim een halve eeuw na zijn dood nog alomtegenwoordig: als strip, als pop, als freudiaanse verspreking. Veel van Freuds begrippen zoals ‘verdringing’, ‘projectie’ en ‘oedipuscomplex’ duiken met enige regelmaat op. Al worden ze zelden gebruikt om iets te verklaren; meestal om iemand mee om de oren te slaan.

In New York kun je van tijd tot tijd horen: ‘Don’t be so anal.’ Waarmee bedoeld is dat de aangesprokene niet zo precies en nauwgezet moet zijn. Ook een derivaat van Freuds denken. Ik kan nauwelijks wachten tot in Nederland de uitdrukking ‘doe niet zo anaal’ opgang maakt.

Freuds De grap en haar relatie met het onbewuste figureerde in een film van Woody Allen, en iedereen kon er om lachen zonder het betreffende werk ooit gelezen te hoeven hebben. Na Freud als voortzetting van cabaret met andere middelen, kwam dan de Freud als eeuwige zwendelaar.

Beroemd en berucht is Karel van het Reves essay ‘Freud over Dostojevski’ waarin hij in navolging van de door hem bewonderde Karl Popper Freud afdoet als zwendelaar (‘Andere auteurs lokken eigenlijk al meteen een aanval op hun stellingen uit doordat zij hun feiten rangschikken in twee rijen: gunstige en ongunstige voor hun theorie. Die rangschikking ontbreekt bij Freud volkomen, zodat de lezer grote kans loopt niet te merken dat hij wel degelijk met een zwendelaar te doen heeft’).

Misschien had Van het Reve zich beter kunnen concentreren op Freuds Een jeugdherinnering van Leonardo da Vinci. Een aanzienlijk gedeelte van deze verhandeling is gebaseerd op de verkeerde vertaling van een Italiaans woord. Curieus is dat Van het Reve Een jeugdherinnering van Leonardo da Vinci wel even aanstipt en het vervolgens over een ‘gibio’ heeft wat een wouw zou zijn, terwijl in de Nederlandse vertaling van Peter Gays biografie over Freud sprake is van een ‘nibbio’ wat een havik zou zijn. Volgens de recent verschenen vertaling van Freuds verzameld werk gaat het om een ‘nibio’ (tegenwoordig gespeld als nibbio), en volgens het woordenboek is dat een rode wouw. Freud meende echter (door een vertaalfout van een ander) dat het om een gier ging en trok daar verregaande conclusies uit. We zullen in het typefoutje van Van het Reve maar geen Fehlleistung zien. Een Fehlleistung, in het Nederlands genaamd lapsus, en in de spreektaal aangeduid als freudiaanse verspreking, is een handeling die niet naar behoren volbracht wordt omdat het onbewuste als stoorzender fungeert. Hier vertoont het freudiaanse denken een overeenkomst met Sherlock Holmes en eigenlijk elke klassieke detective: de mens verraadt zich altijd in details.

Popper en Van het Reve waren zeker niet de enigen die een mes in de rug van Freud hebben geplant. Een tijdlang was het modieus, en dat is het misschien nog steeds, Freud te ridiculiseren en zijn denken af te doen als kwaadaardig bedrog of in het gunstigste geval als een vergissing. Het was een ongecompliceerd genoegen: het werk zelf hoefde men er niet voor te hebben gelezen.

Mede dankzij de farmaceutische industrie leek Freud een genadeslag te krijgen door de opvatting dat de mens door chemische processen wordt bestuurd. Alsof dat idee in tegenspraak zou zijn met wat Freud beweerd heeft en zijn werk met terugwerkende kracht teniet zou doen.

Dit voorjaar nog noteerde een columnist van The New York Times in een stukje over honkbal en het onbewuste: ‘The unconscious mind is not a swamp of repressed memories and childhood traumas, the way Freud imagined.’

Niet alleen is dit geen correcte samenvatting van Freuds ideeën over het onbewuste, interessant is vooral dat de columnist vervolgt met een betoog over het onbewuste als perfect functionerend fabriekje. Naar de politieke voorkeuren van deze columnist zal men niet hoeven te raden.

De weerstand die Freud heeft opgeroepen en nog steeds oproept, is niet verbazingwekkend. Al aan het begin van zijn carrière werd hij een libertijn genoemd, wat niet bedoeld was als compliment; zijn psychoanalyse werd samengevat als geestelijke masturbatie en zijn verhandelingen werden aangeduid als ‘pornografische verhalen’. Waaruit blijkt dat in honderd jaar de retoriek waarmee men bepaalde vijanden en bepaalde denkbeelden bestrijdt, nauwelijks veranderd is.

Hoewel hijzelf nadrukkelijk heeft gesteld dat de psychoanalyse geen wereldbeeld bevat – de psychoanalyse zou slechts een instrument zijn om onderzoek mee te verrichten – spreekt uit zijn werk een tragische levensopvatting. De mens is niet zo geschikt voor de beschaving die hij zelf ontworpen heeft. De krachten die het kost om zijn driften te onderdrukken, gaan zijn macht te boven, of ze zijn in veel gevallen ronduit contraproductief. De krachten die in hem werken, kent hij bovendien niet of nauwelijks en hij kan ze slechts met de grootste moeite, en tegen een hoge prijs, bedwingen. Hij wordt geplaagd door een fundamentele machteloosheid tegenover zichzelf, en bovendien door machteloosheid tegenover de andere mensen, niet in laatste plaats hen van wie hij emotioneel afhankelijk is of is geweest, zoals bijvoorbeeld ouders of geliefden. En dan is er natuurlijk de machteloosheid tegenover de natuur, door de mens veelal aangeduid als het noodlot.

Degenen die tragiek prima vinden zolang ze er zelf maar geen deel van uitmaken, is dit allemaal niet welgevallig.

Veel van wat de mens onderneemt, zijn slechts sluiproutes en listen om aan die immense machteloosheid te ontkomen, of beter gezegd die machteloosheid behendig te ontkennen. Wat dat betreft is er voor Freud nauwelijks verschil tussen religie en kunst. Ware het niet dat kunst niets anders wil en kan zijn dan een illusie, en religie nu juist pretendeert dat het om de waarheid gaat. Zonder die pretentie zou religie afzakken naar de regionen van het toneel en de performancekunst. Misschien is ‘afzakken’ niet het juiste woord, men zou ook kunnen argumenteren dat het om een stap voorwaarts gaat.

Freuds eigen leven biedt, zoals bij alle mensen die iets gepresteerd hebben, genoeg aanknopingspunten om kritiek te leveren, die maar al te makkelijk over kan gaan in hoon. Hoewel hijzelf nadrukkelijk had gesteld dat er geen intieme band mocht bestaan tussen de analyticus en de analysant, analyseerde Freud zijn jongste en favoriete dochter Anna.

Met een zeker gebrek aan vergevingsgezindheid en de daarmee gepaard gaande woede kon hij vrienden en collega’s verstoten door wie hij zich verraden voelde of die naar zijn mening de strenge weg van de psychoanalyse niet naar behoren volgden. Hij verbrak zijn jarenlange vriendschap met Wilhelm Fliess. Vervolgens viel Jung in ongenade, die Freud aanvankelijk mede had binnengehaald om te voorkomen dat de psychoanalyse een exclusief joodse beweging zou blijven. Freud hield nooit op zijn directe collega Alfred Adler te haten, onder meer omdat Adler van mening was dat er een agressieve drift in de mens woonde die geen enkele seksuele oorsprong had.

Toen Adler stierf merkte Freud tegen zijn vriend, de schrijver Arnold Zweig, op: ‘Voor een jodenjongen uit een Weense voorstad is een dood in Aberdeen een ongekende carrière en een bewijs hoe ver hij was gekomen. Zijn tijdgenoten hebben hem werkelijk rijk beloond voor de dienst die hij heeft verricht door de psychoanalyse tegen te spreken.’

Freud, die ontdekte dat het begin van alle cultuur vadermoord is en dat alle goden substituten zijn voor de vader, regeerde zelf bij tijd en wijle als een halfgod die er zeer tegenop zag vermoord te worden.

Enkele van zijn collega’s betrapte hij op bewuste of onbewuste doodswensen jegens hem, maar overdreven uitingen van aanhankelijkheid zoals de Hongaarse psychoanalyticus Sándor Ferenczi aan de dag legde, vond hij ten minste zo onuitstaanbaar.

Peter Gay noteert: ‘Hij genoot ervan de leider van de oppositie te zijn, de ontmaskeraar van schijn, de wreker van zelfbedrog en illusies. Hij was trots op zijn vijanden – de vervolgende rooms-katholieke kerk, de hypocriete bourgeoisie, het domme psychiatrische establishment, de materialistische Amerikanen.’

Op al te veel mededogen met zijn patiënten kon hij niet altijd worden betrapt. Tegen Ferenczi had Freud eens gezegd: ‘Neurotici zijn gepeupel, alleen goed om ons financieel te onderhouden en van hun gevallen te leren.’

Wellicht staat de analyticus tegenover zijn analysant zoals de romanschrijver tegenover zijn ruwe, onbewerkte materiaal.

Hij had antidemocratische impulsen – dat kan men hem nauwelijks aanrekenen: van de massa verwachtte hij weinig goeds. Hoewel hij sympathie had voor het bestrijden van ongelijkheid – arme patiënten was hij bereid met korting te behandelen – had hij weinig goede voorgevoelens aangaande de revolutie in Rusland. De fundamentele menselijke onlust was in zijn ogen niet het gevolg van de onrechtvaardige verdeling van eigendom. Ook zij die genoeg te eten hebben en in een aangenaam huis wonen, kunnen overvallen worden door behoefte aan destructie. Misschien moet je zeggen: juist zij bij wie aan de eerste levensbehoeften is voldaan, kunnen te kampen hebben met deze neiging.

Bovendien had Freud een duister gevoel voor humor dat zich nauwelijks van destructiviteit liet onderscheiden. Ná de Anschluss konden Freud en zijn familie met hulp van de Amerikanen Wenen verlaten. Een van de voorwaarden van de nazi’s was dat Freud een formulier zou ondertekenen dat hij goed was behandeld. Niet alleen ondertekende hij dat formulier, hij schreef er ook nog bij: ‘Ich kann die Gestapo jedermann auf das beste empfehlen.’

Vier van Freuds zusters werden vermoord in de concentratiekampen.

Zelf zou hij dat nooit te weten komen. Hij stierf in Engeland vlak na het officiële begin van de Tweede Wereldoorlog. De maanden voor zijn dood werkte hij aan zijn geschrift De man Mozes en de monotheïstisch religie, een verhandeling die hem door joden, christenen en marxisten niet in dank werd afgenomen.

Hierin beweerde hij onder andere dat Mozes een Egyptenaar was en dat Christus de wederopstanding van Mozes was. Het grote verschil tussen christenen en joden was dat de christenen bereid waren toe te geven dat ze hun vader hadden vermoord en daarom van de zonde waren verlost, terwijl de joden maar bleven ontkennen. Verder concludeerde hij opnieuw dat alle religie een illusie was en voegde er dit keer aan toe dat van alle illusies het christendom wel de ergste illusie was.

Wie Karel van het Reves essay over Freud leest, begrijpt meteen wat de zwakke punten van Freud zijn. Het kan vermakelijk en nuttig zijn iemand aan te vallen op zijn zwakste punten, maar wie een werkelijke discussie wil voeren plaatst zich daarmee buiten het gesprek. (De vraag blijft of zelfs als Freuds analyse van Dostojevski overtuigender was geweest dit tot meer begrip van Dostojevski’s werk had geleid.)

Uitgeverij Boom heeft in elf prachtige delen, bezorgd door Wilfred Oranje, het werk van Freud wederom voor het Nederlandse publiek ontsloten. Opdat het publiek Freud zelf kan bestuderen in plaats van over hem te lezen, te praten en te lachen.

Sommige van zijn teksten waar ik zelf veel van had verwacht, zoals Aan gene zijde van het lustprincipe, waarin Freud de doodsdrift behandelt, zijn voor de leek nu en dan technisch en moeilijk doordringbaar. Wat geen aanbeveling is de tekst daarom maar ongelezen te laten. De beroemde ziektegeschiedenissen daarentegen zijn zeer vermakelijk, op het romaneske af.

Zeer krachtig en goed geschreven zijn Freuds verhandelingen over cultuur. (Toen hij begreep dat de Nobelprijs voor Geneeskunde hem zou ontgaan, hoopte hij op een Nobelprijs voor Literatuur.)

In De toekomst van een illusie uit 1927 schrijft hij: ‘Ieder individu [is] virtueel een vijand van de cultuur, die toch een algemeen menselijk belang heet te zijn.’

Freud maakt geen onderscheid tussen beschaving en cultuur.

Wij zijn gewend te horen dat een bepaalde groep de vijand van de beschaving is. De negers, de joden, de katholieken, de islamieten, werkschuw tuig. Maar daar komt Freud die stelt: de vijand van de beschaving zijn wijzelf.

Hoe waar, hoe nuttig, hoe vergeten, om niet te zeggen verdrongen, is dit.

Freud maakt een onderscheid tussen een dwaling en een illusie. Een dwaling is een gedachte die eenvoudigweg niet waar blijkt te zijn, maar een illusie is een dwaling waarachter een meer of minder heimelijke wens schuilgaat.

De beschaving vraagt de mensen om driftbeteugeling, iets wat Freud later een ‘driftoffer’ noemt.

En een offer wordt gebracht omdat men stiekem hoopt er iets voor terug te krijgen. Die hoop wordt kennelijk telkens weer gefnuikt.

De opdracht dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, keurde Freud af als een ontkenning van de realiteit en een onduldbare inflatie van de liefde. Wie allen liefheeft, houdt van niemand.

Toen ik de taoïst Kristofer Schipper vroeg naar de kern van het taoïsme, antwoordde hij: ‘Nou bijvoorbeeld dat het onzin is je naaste lief te hebben als jezelf, misschien is het veel beter je naaste flink te haten.’

Freuds voorstelling van de mens die aan de collectieve waan van de religie de voorkeur geeft boven de individuele neurose, is zo accuraat dat veel stukken op de opiniepagina’s en elders ingrijpend zouden kunnen worden ingekort of zelfs zouden kunnen verdwijnen als de schrijvers even de moeite hadden genomen langer dan een kwartier in Freud te bladeren.

Maar zijn grootste bezwaar tegen religie is pragmatisch van aard: religie heeft de mensheid niet gelukkiger gemaakt.

Deze wereld kan niet werkelijk begrepen en besproken worden zonder Freud bij de discussie te betrekken. Ik hoop dat de uitgave van zijn verzameld werk ertoe zal bijdragen dat dit tenminste in Nederland zal gebeuren.

Ik vrees echter het ergste. De vooroordelen waarmee Freud aan het begin van de 20ste eeuw te maken had, zijn alleen maar sterker geworden. Iets wat hij op het eind van zijn leven onderkende: de kans op genezing is minimaal.

De collectieve wanen zijn talloos en blijven zeker niet beperkt tot religie.

Net als het marxisme en het christendom (beide bewegingen zijn begonnen als min of meer joodse sektes) heeft de psychoanalyse messianistische trekjes, hoewel Freud zelf aan messianisme een hekel had.

Toch twijfel ik er niet aan dat hij zichzelf de opdracht had gegeven illusies te vernietigen om het lot van de mensheid te verlichten.

Als literatuur meer wil zijn, en het is de vraag of zij dat kan, dan een middel tot verstrooiing, een manier om geld te genereren of een poging om applaus te wekken, dan is die meerwaarde gelegen in de vernietiging van illusies.

Literatuur is een illusie die andere illusies vernietigt.

En alleen al daarom is Freud haar voorspreker.