Chinezen vonden schaduw ‘vuil’

Een tentoonstelling in Brussel laat zien hoe de westerse kunst gaandeweg de oosterse heeft beïnvloed. Het aardse van het Westen ontmoet er de tijdloosheid en onthechting van het Oosten.

Komt het zien, komt het zien! Dit is nog nooit vertoond: een expositie van vijfhonderd jaar Chinese en Vlaamse schilderkunst. Yu Hui, conservator aan de afdeling schilderkunst en kalligrafie van het Palace Museum in Peking, selecteerde tachtig Chinese rolschilderingen op zijde en rijstpapier van de vijftiende tot begin twintigste eeuw en de Belgische schilder Luc Tuymans honderdtwintig Vlaamse schilderijen en tekeningen. Ook zijn er verluchte handschriften, boekdrukwerken en voorbeelden van cartografie te zien. Het wordt kriskras door elkaar, maar wel min of meer chronologisch, getoond in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten.

Bij binnenkomst zie je een paneeltje van 31 bij 18 centimeter van Jan van Eyck dat onaf is, maar wel gesigneerd en gedateerd (1437). Het stelt de Heilige Barbara voor. Zij zit majesteitelijk en frontaal op een heuveltje. Achter haar is een reusachtige gotische toren in aanbouw, werklieden krioelen door elkaar heen. Een heuvellandschap ontvouwt zich tot aan de verre einder. De voorstelling is streng symmetrisch en monumentaal van opbouw en toch van een ontroerende intimiteit.

Even verderop ligt in een vitrine een rolschildering van De Legendarische Liederen van Qu Yuan, getekend door Du Yin in 1413 (Ming-dynastie), in inkt op papier. De schildering is 26,5 centimeter hoog en ruim vijf meter lang. Een jonge Chinees berijdt een tijger met decoratieve vlekken, een ander zit op een landschildpad, een eindje verderop is een oude man in gesprek met een draak. De scènes zweven op het wit van het papier zonder aanduiding van plaats of ruimte. Het zijn luchtige en humoristische taferelen, gedaan met een losse en virtuoze penseelstreek.

De afstand tussen de werken van Van Eyck en Du Yin, in dezelfde periode ontstaan, is gigantisch. Het ene is geschilderd met een eindeloze aandacht voor detail, voor lichtval en stofuitdrukking, en toont een samenhangende ruimte die in een oogopslag is te overzien. Het andere is schetsmatig, de kijker moet veel zelf invullen. Hier is geen illusoire ruimte maar veel witte leegte, en de beelden moeten langzaam, van links naar rechts gelezen worden. Het ene is een stabiel bouwsel van beeldelementen en van religieuze dogma’s, en het is definitief begrensd door de randen van het paneel. Het andere is open en transparant en openbaart zich gaandeweg met het openrollen van het papier. Na het bekijken wordt het weer opgeborgen in een doos of doek.

Maar hoe groot die afstand

tussen de Vlamingen en de Chinezen ook is, toch werkt het, deze kunstwerken bij elkaar. Er hangt bijvoorbeeld een tekening (vijftiende eeuw, 26,6 x 18,6 cm) van de hand van Petrus Christus, een volgeling van Van Eyck, in zilverstift op papier. Het is een realistisch portret van een man met een grote neus en smalle schouders. Fijne arceringen creëren licht en schaduw. In een karakteristiek gebaar houdt de man met de ene hand de rand van de mouw van zijn andere hand vast. En dan is er ook een anoniem portret (circa 1520) in olieverf op paneel van een meisje dat een dood vogeltje in haar hand houdt, geschilderd tegen een donkere achtergrond. Alles aan haar licht op: de huid, het bijna doorzichtige jurkje, het witte kapje op haar hoofd. Maar in haar gezicht schemert het zwart van de ondergrond door het wit heen. Dit zwart-wit contrast en de peinzende uitdrukking op het gezicht hebben een dramatisch effect. Misschien verwijst het vogeltje naar de vroegtijdige dood van het meisje.

En dan begrijp je ineens iets van het verschil tussen oosterse en westerse kunst. Onze kunst, religieus of niet, gaat over het aardse bestaan, over het hier en nu, over het specifieke van een bloem, van lichtval op een mantel. En in de portretten gaat om het eigene, het onvervangbare van een persoon. Hier wordt aardse schoonheid gevierd, maar is er ook de pijn van vergankelijkheid en verlies. In de oosterse kunst gaat het over tijdloosheid, over vrede en harmonie, onthechting, niet over specifieke kenmerken en verschillen, maar over het algemene of spirituele dat mensen met elkaar en met de dingen verbindt. De portretkunst heeft zich er pas heel laat ontwikkeld.

De tentoonstelling is van begin tot eind een feest van kijken en vergelijken, Yu Hui en Tuymans zijn uitgegaan van individuele kunstwerken en stelden zich de vraag naar het verschil in beelddenken tussen China en het Westen. De titel Het Verboden Rijk verwijst naar de gelijknamige roman uit 1932 van Slauerhoff die als scheepsarts werkte op de Java-China-Japan-lijn. Kort voor zijn overlijden in 1936 schreef hij dat de wereld in termen van afstand veel kleiner, maar in psychologische zin veel groter geworden was.

De vijf eeuwen in China omvatten de Ming- en Qing-dynastieën en het ontstaan van de Volksrepubliek die een einde maakte aan 2000 jaar feodale en dynastieke overheersing. Centraal staat de kunst uit de Verboden Stad in Peking, de plek van waaruit de keizers regeerden. In Vlaanderen omvatten de vijf eeuwen het begin van de landschapschilderkunst bij schilders als Van Eyck, tot aan de verschillende modernistische stromingen in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het ontstaan van het landschap, en het verlangen om alles tot aan de horizon zichtbaar te maken, wordt algemeen gezien als de eerste aanzet tot het verdwijnen van het christelijk wereldbeeld en van het transcendentaal denken.

Ondanks de gewelddadige machtsovername in 1644 door de Mandsjoes, die de Ming-dynastie (gesticht in 1368) en het door de Han-Chinezen gedomineerde regime omverwierpen en de Qing-dynastie stichtten, kende de Chinese cultuur in die vijf eeuwen een grote continuïteit en stabiliteit. De Qing-schilders bouwden voort op de schilderkunst van de Ming-dynastie. Beide regimes namen harde maatregelen om het ontluikende kapitalisme en ieder verzet tegen de feodale overheersing te onderdrukken. De schilderkunst stond in het teken van een ingetogen en harmonieuze expressie van schoonheid. Bloedige oorlogen en andere conflicten werden zelden verbeeld. Dit in tegenstelling tot het Westen, waar de voortdurende conflicten en machtsovernames, en de diepgaande veranderingen in denken en wetenschap, hun uitdrukking vonden in een snelle opeenvolging van tal van verschillende artistieke stijlen.

De klassieke Chinese

schilderkunst is nauw verweven met de traditionele filosofie. Veel schilderkunstige concepten zijn afkomstig uit de filosofie, zoals ‘de weg’ (dao), ‘energie’ (qi) en ‘het lege’ (xu). ‘Harmonie’ (he) is het hoogste beginsel. In het confucianisme staat harmonie gelijk aan ‘de middenweg’. Evenwicht, onpartijdigheid, matiging, de strijd tegen onrechtvaardigheid – ze horen allemaal bij de middenweg. Schilderen is niet het kopiëren van de zichtbare wereld, maar het uitdrukken van het oneindige in het eindige. Dit oneindige, het idee achter de dingen, is belangrijker dan de dingen zelf, en naarmate de dingen meer verborgen zijn, wordt de artistieke idee duidelijker. Daarom zijn ‘leegte’ en ‘geest’ belangrijke concepten in de Chinese schilderkunst en daarom ook komt deze schilderkunst ons modern, ‘abstract’ of ‘conceptueel’, voor. Schitterend is bijvoorbeeld een verticale rolschildering van Bomen van jade in de mist door Chen Lu uit de vijftiende eeuw, in inkt op ruwe zijde (137,5 x 65,4 cm). In ijle, vloeiende grijstonen verdwijnen takken achter slierten dunne mist, terwijl de witte bloemen juist heel precies getekend zijn.

Een overeenkomst met de vroege Vlaamse schilderkunst is dat ook de Chinese voorstellingen doordrenkt zijn met allegorische betekenissen. Pijnbomen moedigen aan tot standvastigheid en de bloesems van de pruimenboom openen zich midden in de winter want, zo schrijft Yu Hui, „hoogstaande deugd bezwijkt niet voor verdorvenheid”. Keizer Zhu Zhanji was een enthousiast amateurschilder. Van hem is een rolschildering te zien van Balsemperen en muizen (1427), waarbij de roze vruchten duiden op een bloeiend gezinsleven en rijk nakomelingschap. Ook een meloen met zaden betekent voorspoed en nakomelingschap. Zoals bij de Vlaamse primitieven de witte lelie staat voor maagdelijkheid. En het rood en blauw van de mantel van Maria verwijzen naar haar lijden op aarde en haar hemelse gedaante.

De tentoonstelling laat zien hoe de westerse kunst gaandeweg de oosterse beïnvloedt. Vanaf het einde van de Ming-dynastie vestigden westerse missionarissen zich in China. Zij namen afbeeldingen van heiligen met zich mee. Ook kwamen Italiaanse schilders naar China, die Chinese collega’s onderwezen in westerse technieken. Perspectief en ‘charioscuro’, het spel van licht en schaduw, doen hun intrede. Voorheen was schaduw volstrekt afwezig, omdat die waargenomen werd als ‘vuil’. Ook ontstond belangstelling voor het portret. Met deze westerse invloeden begon het verval van de Chinese schilderkunst. Of misschien is het andersom en keek men naar het Westen omdat de eigen traditie uitgeput raakte. De schilderingen verliezen langzamerhand veel van hun dwingende magie en van hun onbestemde, poëtische weidsheid.

De expositie is een schatkamer

van zelden getoonde werken. Zoals de fijnzinnige tekening van Jan Karel Verbrugge (achttiende eeuw) van een misvormde baby die na de geboorte overleed. Ook het album met insecten van Pieter Le Doulx getuigt van de wetenschappelijke belangstelling van kunstenaars in de achttiende eeuw. Fascinerend zijn de realistische schilderijen van Henri De Braekeleer, zoals Man in de Stoel (1875). Eenzaam zit de man bij het open raam, het goudleerbehang achter hem is minutieus weergegeven, en ook een barok schilderij en een heiligenbeeld boven zijn hoofd: een prachtig voorbeeld van Belgische biedermeierkunst.

Hoe groot de afstand tussen de beide tradities ook is, ze hebben met elkaar gemeen dat bij beide de neergang inzet in de achttiende eeuw. Maar aan het einde van de negentiende eeuw begint voor de Belgische schilderkunst een nieuwe bloeiperiode. Een laatste zaal met Belgische modernisten is ongelofelijk opwindend: wat een energie en vitaliteit, wat een rijkdom aan experiment! Hier is een hallucinerende, euforische tekening van De kurassiers in Waterloo (1891) van James Ensor te zien, en een meesterlijk kubistisch aandoend stilleven van Jean Brusselmans, een prachtig postimpressionistisch tafereel van de Kermis in Watermaal van Edgar Tytgat, een fauvistisch zelfportret van Rik Wouters, een visionair portret van Andrew Carnegie van Leon Spilliaert.

Een tentoonstelling van vijf eeuwen Chinese en Belgische schilderkunst is een tour de force. Dat het toch gelukt is, heeft alles te maken met het feilloze oog van de twee organisatoren, die hebben gekozen voor de kwaliteit van afzonderlijke werken in plaats van een grootschalige thematische opzet. Het project schept hoge verwachtingen voor een vervolg, van moderne en hedendaagse Chinese en westerse kunst.

‘Het Verboden Rijk. Tentoonstelling van 500 jaar Chinese en Vlaamse schilderkunst’ in het Paleis voor Schone Kunsten, Koningsstraat 10, Brussel. Tot 6 mei. Ma-zo 10-18 uur, do 10-21 uur. www.bozar.be.