Zonder handdruk

Hoe ‘historisch’ is het akkoord dat de politieke leiders van protestanten en katholieken in Noord-Ierland maandag sloten? De geschiedenis kent veel ‘historische akkoorden’ die achteraf deze aanduiding niet waard bleken te zijn. De beelden waren gedenkwaardig: een breed grijnzende Gerry Adams van de katholieke Sinn Féin naast dominee Ian Paisley van de protestante Democratic Unionist Party (DUP). Hij lachte als een boer met kiespijn. Het feit dat beiden aan één tafel zaten – kennelijk vol goede bedoelingen – kan men historisch noemen. Maar de overeenkomst van deze erfvijanden om per 8 mei een coalitie te vormen met twee gematigder en kleinere partijen, is pas historisch als deze feitelijk tot stand is gebracht en met succes wordt uitgevoerd.

Het feit dat hun akkoord niet werd bekrachtigd door zoiets simpels als een handdruk, is veelzeggend. Hoe moet een regering voor Noord-Iers zelfbestuur dadelijk overleven als haar belangrijkste vertegenwoordigers elkaar nog geen hand willen geven? Voor de beantwoording van die vraag hebben Adams en Paisley nog precies zes weken de tijd. Het lijkt symboliek, maar de handdruk is als gebaar van wederzijds vertrouwen en respect essentieel voor de politiek, waar dan ook beoefend.

Niettemin: er zit schot in dit conflict. Een staakt-het-vuren sinds 1997; het Goede-Vrijdagakkoord van 10 april 1998; de geleidelijke ontwapening van een van ’s werelds beruchtste terreurorganisaties, de IRA. Ernstige terugvallen waren er op z’n tijd ook. De aanslag in Omagh; het toch weer onder Brits bestuur plaatsen van Noord-Ierland in 2002 na aanhoudende moeilijkheden tussen protestanten en katholieken; de ‘branchevreemde’ activiteiten als drugshandel en bankovervallen die de IRA begon te ontplooien – het droeg allemaal bij aan het beeld dat Noord-Ierland nog niet af was van zijn troubles.

Ook nu is terughoudendheid gepast. Adams en Paisley zaten naast elkaar en spraken over ‘grootmoedigheid’ en een ‘stabiele toekomst’, maar beiden hebben een achterban te bedienen waarvan de fanatiekste delen nog niet toe zijn aan het soort samenlevingscontract dat hun leiders willen sluiten. Wellicht is de economische noodzaak groter dan voorheen. De politieke instabiliteit in Noord-Ierland heeft investeerders weggehouden uit dit deel van het Verenigd Koninkrijk. En hoewel de combattanten ooit als uitgangspunt hanteerden dat ideologische strijd vóór alles ging – ook voor welvaart – begint de economische achterstand te knellen. Ierland en Groot-Brittannië liggen mijlenver voor, met lagere werkloosheidspercentages, modernere vormen van bedrijvigheid en aanzienlijk hogere regionale investeringen. Het geloofsconflict heeft de vooruitgang decennialang gesmoord.

Daarin zal pas verandering komen als de coalitie werkt; als Adams en Paisley elkaar niet alleen de hand hebben gedrukt, maar in staat zijn politiek te bedrijven die aantoonbaar in het voordeel is van het verarmde Noord-Ierland. Noord-Ierlands politieke leiders kunnen nu laten zien wat hun gegrimas voor de camera werkelijk waard is.