Van wetenschapper tot miljonair

Universitaire bureaucraten zijn nog een sta-in-de-weg voor durf en ondernemerschap. Nederland loopt in dat opzicht jaren achter op universiteiten in Amerika. Onder professoren begint men de smaak te pakken te krijgen.

Zo’n tien onderzoekers van het Erasmus MC werden de afgelopen jaren miljonair. Aart-Jan van der Lelij wordt dat waarschijnlijk ook. Twee weken geleden verkocht het academisch ziekenhuis de rechten op een van zijn wetenschappelijke ontdekkingen aan het Franse farmaceutisch bedrijf Ipsen. Dat levert mogelijk 10 miljoen euro op, afhankelijk van de toekenning van het patent. Dat betekent 4 miljoen voor het Erasmus MC, 4 miljoen voor de onderzoeksgroep en 2 miljoen voor de hoogleraar endocrinologie zelf.

Een goede deal voor universiteit en hoogleraar. Maar niet alleen voor hen. De vinding van Van der Lelij krijgt zo ook maatschappelijk nut.

Van der Lelij ontdekte dat een combinatie van twee geneesmiddelen de beste behandeling oplevert voor patiënten met acromegalie: een zeldzame hormoonziekte waarbij mensen te hard groeien. Hij publiceerde erover in het wetenschappelijke tijdschrift The Lancet. Nu het farmaceutisch bedrijf daarmee aan de slag kan, is de kans groot dat dit een nieuwe therapie oplevert voor de kleine 40.000 mensen die wereldwijd aan de ziekte lijden.

Dat zou vaker moeten gebeuren, vindt de nieuwe minister van Onderwijs Ronald Plasterk. Door zijn (voormalige) werk als hoogleraar moleculaire biologie kent hij de problematiek van dichtbij. Plasterk is als uitvinder betrokken bij een kleine twintig patenten, maar heeft voor zijn werk als minister afstand gedaan van de rechten op die vindingen.

Nederlandse bètaonderzoekers staan met hun wetenschappelijke publicaties hoog aangeschreven. Maar hun ontdekkingen worden niet vaak te gelde gemaakt. Economisch gezien is dat een gemiste kans. Maar niet alleen dat. Het gevolg is ook dat ontdekkingen die de maatschappij iets kunnen opleveren – nieuwe medicijnen, sneller internet, milieuvriendelijker brandstoffen – in het lab blijven.

Vandaar dat de minister wettelijk wil vastleggen dat onderzoekers een vast percentage van de opbrengsten van hun ontdekkingen krijgen. Wetenschappers, is het idee, zullen eerder nadenken over hoe hun ontdekkingen geld kunnen opleveren, als ze weten dat ze er zelf miljonair mee kunnen worden.

In de VS gebeurt dit allang. Een wet uit 1980 regelt hoe onderzoeksinstellingen hun ontdekkingen kunnen verkopen aan de industrie. Er staat ook in dat de uitvinders mee moeten profiteren. Door deze wet vonden vele nieuwe technologieën hun weg van universiteit naar bedrijfsleven. Jaarlijks verkopen Amerikaanse universiteiten zo’n 5.000 licenties op hun octrooien. Dat levert ruim 2 miljard euro per jaar op. Het gezaghebbende weekblad The Economist noemde de wet de „golden goose of innovation”.

Nederland loopt ver achter op de VS, maar staat niet stil. De meeste universiteiten hebben de laatste jaren afdelingen opgezet om ontdekkingen te commercialiseren. Sommige hebben een holding die octrooien en aandelenbelangen in beginnende bedrijven beheert. Er zijn ook universiteiten die hebben vastgelegd hoeveel van de opbrengsten voor de ontdekker is. Zo verdeelt het Erasmus MC 20 procent van de opbrengsten over de uitvinders. Bij technische universiteiten is dat eenderde.

Dinko Valerio, de hoogleraar die aan de wieg stond van biotechnologiebedrijf Crucell, vindt het goed als wetenschappers een financiële prikkel krijgen. „Daardoor zullen ze eerder denken aan een octrooi, in plaats van alleen aan een wetenschappelijke publicatie.” Maar hij ziet ook een gevaar: dat onderzoekers worden gestimuleerd snel een licentie te verkopen, omdat dat de snelste en makkelijkste manier is om geld te verdienen. Uitverkoop van Nederlandse technologie, vindt hij. Valerio denkt dat onderzoekers beter zelf een bedrijf kunnen oprichten.

Ook daarvan zijn in de VS vele succesvolle voorbeelden. Technologiebedrijven als Google, HP en Cisco komen voort uit de universiteit. Sinds 1980 zijn vanuit onderzoeksinstellingen ruim 5.000 bedrijven opgericht.

Om dat ook in Nederland te stimuleren, is meer nodig dan alleen een financiële prikkel voor de onderzoekers, zegt René Kuijten, partner bij durfkapitaalinvesteerder Life Sciences Partners (LSP). Kuijten is betrokken bij enkele beginnende bedrijven die uit de universiteit voortkomen. „Er zijn heel veel goede ideeën. Maar ze komen vaak niet naar buiten, door onervarenheid en bureaucratie.”

Volgens Kuijten staan beginnende bedrijven onderaan de prioriteitenlijst van universiteitsbestuurders. Hij vertelt dat LSP samen met een hoogleraar van het Erasmus MC biotechbedrijf DNAge wilde oprichten. De onderhandelingen duurden twee jaar, vooral over de positie van de hoogleraar en over wat er zou gebeuren als het bedrijf niet succesvol was. Kuijten: „Dat wás ook belangrijk. Maar het had ook in twee maanden gekund. We kregen gewoon geen afspraken met de raad van bestuur.” Inmiddels is DNAge voor 15 miljoen euro verkocht aan het Nederlandse Pharming.

Ook nemen universiteiten volgens Kuijten geen goede mensen aan om ontdekkingen te commercialiseren. De Amerikaanse topuniversiteit MIT, vertelt hij, nam hiervoor iemand in dienst uit de raad van bestuur van farmaciebedrijf Merck. Hij kreeg 5 procent van de aandelen in elk bedrijf dat hij oprichtte. De eerste paar jaar ontving hij een hoog salaris, daarna moest hij zijn geld zelf verdienen. Kuijten: „Zo iemand kost veel, maar dat verdient een instelling zo terug.”

Wel gunstig is dat de cultuur onder wetenschappers verandert, zegt Valerio. Hij merkt dat jonge wetenschappers het ondernemerschap zien als gelijkwaardig alternatief voor een wetenschappelijke carrière. Valerio: „In mijn tijd was ik een uitzondering. Je ging alleen het bedrijfsleven in als je niet in aanmerking kwam om hoogleraar te worden.” Hij ziet het als „pure winst” dat meer onderzoekers de stap naar het ondernemerschap maken.

Niet iedereen is het met hem eens. Critici vrezen dat potentiële rijkdom wetenschappers ertoe kan brengen alleen nog onderzoek te doen dat geld oplevert. Of dat het ongelijkheid creëert binnen de universiteit, als de ene wetenschapper door zijn uitvinding een fortuin kan verdienen terwijl een ander die net zo goed is zo’n kans nooit krijgt.

Steef Blok, directeur van de Erasmus MC Holding, noemt dat een ongegronde vrees. Ongelijkheid is er altijd geweest, zegt hij. Zo kunnen sommige artsen binnen het academisch ziekenhuis bijverdienen in een privékliniek, terwijl onderzoekers dat niet kunnen. En, denkt hij: onderzoekers vinden wetenschappelijke roem nog altijd belangrijker dan commercieel succes.

Dat geldt ook voor Aart-Jan van der Lelij. Hij vond het geld een „leuk bijeffect” van zijn publicatie in The Lancet. „Als de deal binnen is, heb je wel iets giecheligs”, zegt hij. „Daarna ga je gewoon weer verder met waar je mee bezig was.”