Onze moeder hoort bij ons te blijven

,,Collectebusloze journalistiek” wilde Marion van Royen, correspondent Midden- en Zuid-Amerika gisteravond in De wereld draait door. Ze mopperde een beetje over hoe weinig gelegenheid ze van het NOS journaal krijgt om over Zuid-Amerika te berichten, het hele continent verschuift naar links (nu ja, flink wat landen) en Nederland denkt aan niets anders dan aan de dorpsgebeurtenissen, zo ongeveer zei ze. En dat de derde wereld ook heel aanstekelijk kon zijn, vitaal, levenslustig.

Gisteravond werd op de Belgische televisie de documentaire De niña a madre vertoond, die bekroond was met de Dirk Vandersypen Award, een jaarlijkse prijs voor de beste documentaire over Latijns-Amerika. De documentaire, gemaakt door de Franse cineaste Florence Jaugey, liet niet direct de vrolijke kant van arm Nicaragua zien. De film volgde drie tienermoeders, meisjes van veertien, vijftien jaar die kinderen kregen van mannen die zich wel graag voort wilden planten maar niet per se heel veel zorg en aandacht aan vrouwen en kinderen wilden besteden. De meisjes leefden ergens op het platteland, duidelijk primitief en arm, maar heel precies kwam je eigenlijk nergens achter: of ze ooit naar school geweest waren, of ze ooit enige ambitie hadden gehad, wat precies de rol van hun moeder was, waar hun eigen vaders waren. Alles leek een beetje rommelig en lukraak, en betrekkelijk uitzichtloos, ook door de manier van filmen: nooit zag je een wijder landschap, een weg ergens heen, een grotere wereld. Alleen gezichten en hutjes en bevallingen. De mensen wilden wel dingen, maar ze leken zo vaag over de consequenties. Het was duidelijk de derde wereld, maar niet op de manier die Marjon van Royen graag ziet.

Van de familieverhoudingen in de eerste wereld kregen we mooie flarden te zien in Hello Goodbye, een programma over begroetingen en afscheiden op Schiphol, dat bij nader inzien toch aardiger is dan eerst gedacht. Je krijgt heel terloopse inkijkjes in de levens van mensen en die zijn soms heel treffend. Het is eigenlijk wel begrijpelijk dat Joris Linssen na Taxi dit is gaan doen. De twee zusjes die op hun moeder stonden te wachten die in Australië was gaan wonen met haar nieuwe jeugdliefde bijvoorbeeld. Een van de twee was zwanger, de andere hoopte duidelijk in de toekomst kinderen te krijgen, want ze hadden het erover dat hun moeder over een paar jaar toch maar terug moest komen naar Nederland „om de kleinkinderen te zien opgroeien”. Ze begrepen best dat moeder na de scheiding voor haar eigen geluk in Australië gekozen had, heus wel, ze gunden het haar ook, maar toch – ze konden zich niet voorstellen dat ze zelf ooit weg zouden gaan van hun kinderen. Kinderen en ouders hebben vreemd diepe banden, dieper dan ze zelf begrijpen.

Ook Maurice en Marc de Hond, te zien in Over vaders en zonen, een serie programma’s van (sport)journalist Hugo Borst, zijn duidelijk sterk met elkaar verbonden. Ze zeiden er niet veel over, het bleek gewoon. Twee taaie vechtersbazen zijn het, niet zeuren maar knokken. Zoon Marc zit door een fout van het ziekenhuis in een rolstoel, en hij is wel kwaad, maar hij ziet ook dat het geen zin heeft om bij alles wat hij niet kan te denken: die kloteverpleegkundigen, die rotdokter. Want dan verpest hij zijn leven. Dus kijkt hij opgewekt en aardig uit zijn ogen. Vader Maurice zei dat zijn levensmotto was, en dat had hij weer van zijn vader: „Als je bang bent krijg je óók klappen.” Merkwaardig was wel dat tijdens het programma bleek dat er nóg een zoon is, maar aan hem werd geen woord besteed. Alsof er maar één de zoon van de vader is. Expres?

Reageer op deze column op www.nrc.nl/ogen