Multitasker dwaalt vooral af als het kan

Bij mensen die goed verschillende dingen tegelijk kunnen doen, dwalen de gedachten even vaak af als bij mensen die niet goed zijn in dit multitasken. Alleen: ze dwalen af op andere momenten.

Het hangt onder meer af van de moeilijkheid van hun bezigheden en de concentratie die die vergen. Dat heeft een team van een Nederlandse en vijf Amerikaanse psychologen ontdekt. De studie verschijnt in juli in het vaktijdschrift Psychological Science.

Eerder onderzoek naar afdwalende gedachten had al aangetoond dat maar liefst 30 tot 40 procent van de gedachten die mensen hebben, geclassificeerd kunnen worden als ‘afgedwaald naar iets wat de persoon op dat moment niet aan het doen was’. Meestal ging het om alledaagse dingen. Fantasieën, dagdromen en zorgen kwamen minder vaak voor.

Het nieuwe onderzoek beoogde uit te vinden hoe het afdwalen van gedachten samenhangt met de capaciteit van het werkgeheugen.

Daartoe stelden de psychologen om te beginnen vast hoe groot het werkgeheugen van hun proefpersonen was. Dat deden ze bijvoorbeeld door hun een reeks letters te laten onthouden, maar hun na elke nieuw gepresenteerde letter eerst een sommetje of puzzeltje te laten maken. Wie bij zo’n opgave toch een hele reeks letters weet te onthouden, heeft een groot werkgeheugen.

Daarna moesten de proefpersonen een week lang op acht onverwachte momenten per dag (ze hadden een pieper) opschrijven of hun gedachten waren afgedwaald. Daarbij meldden ze wat ze aan het doen waren, en hoe leuk, saai, moeilijk et cetera dat was. Het bleek – weinig verrassend – dat de gedachten vaker afdwaalden als mensen gespannen waren of iets deden wat ze onplezierig of saai vonden.

Er was geen directe relatie tussen de grootte van het werkgeheugen en het afdwalen van gedachten. Wel bleek dat de gedachten van mensen met een klein werkgeheugen sneller afdwaalden als ze iets deden wat ze erg moeilijk vonden. Mensen met een groot werkgeheugen bleven dan wel goed gefocust.

Hun gedachten dwaalden sowieso zelden af als ze op de toppen van hun concentratie waren. Maar als ze iets aan het doen waren waarbij ze zich nauwelijks concentreerden, dwaalden ze meteen méér af dan mensen met een klein werkgeheugen.

Het leek dus alsof ze bij het denken heel efficiënt omgingen met hun energie. Misschien is dat zuinig omgaan met je cognitieve energie gewoonweg een goede definitie van ‘groot werkgeheugen’.