Les in bescheidenheid

Ruim honderd jaar geleden sprak de Utrechtse historicus G. W. Kernkamp over de „prikkelbaarheid van een kleine natie met een groot verleden”. Hij bedoelde daarmee Nederland. Het was de tijd van de Boerenoorlog. Groot-Brittannië onderwierp in die oorlog een ‘broedervolk’, zoals toen de blanke bevolking van Zuid-Afrika nog werd gezien, en het eens machtige Nederland moest machteloos toekijken.

Het was ook de tijd waarin hele generaties van leerlingen, in geschiedenislessen en door het zingen van vaderlandse liederen, werden opgevoed in bewondering voor wat onze vaderen in de Tachtigjarige Oorlog en de Gouden Eeuw hadden gepresteerd – een navolgenswaardig voorbeeld. Vandaar die frustraties toen bleek hoe onze macht was gekrompen.

Sindsdien is veel veranderd. Ook de groten van toen hebben macht verloren aan nieuwe, ditmaal buiten-Europese machten (sommige hunner hebben zich daar mentaal nog niet aan aangepast). In Nederland is nationalisme taboe verklaard en daarom werden geschiedenis en vaderlandse liederen afgeschaft. Bovendien zijn we onze koloniën kwijt, die ons het gevoel hadden gegeven iets meer dan de ‘rang van Denemarken’ in te nemen.

Maar heeft Nederland werkelijk dat grote verleden van zich afgeschud? Leeft dit niet nog door in het streven „groot te zijn in de dingen waarin een klein land groot kan zijn”, zoals koningin Emma dat eens uitdrukte? En in de eigenwaan een middelgrote mogendheid te zijn, de grootste van de kleinen, zo niet de kleinste van de groten?

Dat Nederland niet een kleine, maar een middelgrote mogendheid is, heeft vrijwel iedere minister van Buitenlandse Zaken sinds 1945 beweerd (Verhagen heeft daar de kans nog niet toe gehad). Maar als Nederland een middelgrote mogendheid is, zijn Frankrijk, Duitsland en Engeland dan grote mogendheden? Nee, op wereldschaal zijn juist zij op z’n hoogst middelgroot.

Om die eigenwaan glimlachen de anderen, zo zij zich er niet aan ergeren. Dat laatste doen vooral de andere kleinere mogendheden, en daardoor, zo is de indruk, verspeelt Nederland bij hen meer sympathie en kansen dan nodig is. Daarom is het nuttig eens te luisteren naar wat een niet onwelwillende buitenlander van Nederlands rol en pretenties in de wereld vindt.

Die buitenlander is deze keer de Belg Brice de Ruyver, veiligheidsadviseur van premier Guy Verhofstadt. Met hem hadden twee redacteuren van de Volkskrant een gesprek, waarvan zij in het nummer van 24 maart verslag deden. Wat zei hij?

„Kleine landen” – De Ruyver gunt ons dus niet het predicaat ‘middelgroot’ – „moeten bescheiden keuzen maken. Ze dienen rekening te houden met hun eigen kwetsbaarheid.” Hij vraagt zich af of het dan verstandig is actief te zijn in Afghanistan. „Welk verschil kunnen een paar honderd militairen daar maken? Misschien doet een klein land er beter aan uit Afghanistan weg te blijven.”

Helemaal mee eens – echter met die, niet onbelangrijke, aantekening: de enige rechtvaardiging om troepen naar Afghanistan te sturen lag niet in de missie daar de ‘hearts and minds’ van het volk te winnen door het graven van putjes – wat van het begin af aan een onbegonnen werk was – maar in het onuitgesproken doel Nederland schoon te wassen van de schande van Srebrenica.

Weliswaar had Nederland zichzelf, in verscheidene onderzoeken, al schoongewassen, maar dat had de buitenwereld niet werkelijk overtuigd. Iets van die schande is blijven hangen, al zullen anderen, als ze beleefd zijn, ons daar niet voortdurend aan herinneren. Maar als het in het internationale verkeer hard tegen hard gaat, blijft niet iedereen beleefd.

Wil echter Nederlands deelneming in Afghanistan in dit opzicht overtuigend werken, dan zal dat pas gebeuren als er Nederlands bloed vloeit, en als dat gebeurt, dan zal niet iedereen in Nederland ach en wee moeten klagen en roepen dat de jongens naar huis moeten. Met andere woorden: wil Nederland met de grote jongens meedoen – een ander woord voor: de kleinste van de groten zijn – dan zal het bereid moeten zijn daarvan alle consequenties te dragen. Het is de vraag of het weinig martiale Nederland dat is.

Met die aantekening is de raad van onze Belgische vriend bescheiden te zijn op z’n minst behartigenswaardig, maar bescheidenheid is niet Nederlands eerste deugd. De drang om op de eerste rij te zitten (liefst voor een dubbeltje) en de drang om althans iets te doen, zijn groot. Dat leidt tot zelfoverschatting en de neiging de geschiedenis naar zijn hand te zetten.

Zo wist minister-president Balkenende vorige week in zijn lezing in de Ridderzaal het Nederlandse ‘nee’ van 1 juni 2005, waar zijn toenmalige kabinet zich tegen had verklaard, om te toveren in een deugd: het had Europa wakker geschud. Terecht sprak de commentator Hans Goslinga in Trouw van 24 maart van zelfoverschatting.

Wanneer was Nederlands invloed na de oorlog het grootst? Dat was in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw, toen ‘Europa’ nog slechts uit zes lidstaten bestond, waarvan Duitsland, zo kort na de oorlog, nog niet eerste viool durfde spelen. Nu telt ‘Europa’ 27 leden. Alleen al rekenkundig gezien, is Nederlands invloed in dit grotere gezelschap geslonken en heeft het dus bondgenoten nodig om iets te bereiken.

Er is nog iets wat die periode van veertig, vijftig jaar geleden zo uitzonderlijk maakt: Nederland wist toen vrijwel in z’n eentje de Gaulles plan voor een politieke unie tegen te houden, maar het slaagde daar pas definitief in toen de Gaulle zijn hand overspeelde en ook de anderen zich tegen hem keerden. De Gaulles plan werd afgeblazen.

Wat is de les die daaruit getrokken kan worden? Dat een klein land minder kans heeft iets groots te verrichten dan iets onwelgevalligs te voorkomen, maar zelfs dat kan het zonder bondgenoten niet ten eeuwigen dage volhouden. En bondgenoten wint men eerder door bescheidenheid dan door hoog van de toren te blazen.