Gevangen zeelieden zijn ook Europeanen

Waar is de Europese solidariteit met de Britse zeelieden die door Iran worden vastgehouden? Vijftig jaar samenwerking en vrede, maar nu het er op aankomt, hoor je niets van de EU, schrijft Timothy Garton Ash.

Vorige week, terwijl de Europese Unie vijftig jaar vrede, vrijheid en solidariteit vierde, werden vijftien Europeanen in Iraakse territoriale wateren gekidnapt door de Iraanse Revolutionaire Garde. Terwijl ik dit schrijf, worden die veertien Europese mannen en één Europese vrouw al een week lang op een onbekende plaats vastgehouden en ondervraagd. Consulaire bijstand is hun geweigerd, maar ze zijn wel op de Iraanse televisie getoond, waar een van hen een geënsceneerde, onmiskenbaar afgedwongen ‘bekentenis’ aflegde.

Als Europa is wat het zegt te zijn, wat gaat het dan hieraan doen? Waar blijft die solidariteit? Waar blijft het optreden?

Je hoeft de crisis alleen maar in zulke bewoordingen te beschrijven en dan blijkt al hoever wij verwijderd zijn van het Europa van de instinctieve solidariteit waarvan onze Europese leiders zo graag dromen – vooral wanneer het gaat om onze strijdkrachten in het buitenland.

De meeste Britten zien de gevangen zeelieden en mariniers niet als Europeanen. Sterker nog, ik durf te wedden dat de ontvoerde Britse militairen zichzelf zo niet zien. De meeste Britten zullen rekenen op doortastender optreden van de Britse regering, en dan misschien van de Verenigde Staten of de Verenigde Naties. Ze zouden niet op het idee komen om steun te verwachten van over het Kanaal, en ze zouden nogal opkijken als ze hoorden dat Europa in Iran meer en directere invloed heeft dan de Verenigde Staten.

Veel bewoners van het Europese vasteland zullen – als zij überhaupt beseffen dat er een crisis is – deze waarschijnlijk opvatten als het zoveelste uitvloeisel van dwaas, onrechtmatig Anglo-Amerikaans militair optreden in Irak. Ze zullen het zien als een probleem voor ‘hen’, de Britten en de Amerikanen, en niet voor ‘ons’, weldenkende, vredelievende Europeanen. Sommigen zullen misschien denken dat de Britse zeelieden wel degelijk, zoals Iran beweert, in Iraanse territoriale wateren verzeild zijn geraakt, en misschien zelfs mompelen ‘eigen schuld, dikke bult’.

Wie de gebeurtenissen wat nauwlettender volgt, zal zich afvragen of de Revolutionaire Garde soms indirect reageerde op aanhoudingen van Iraniërs door Amerikanen in Irak, misschien zelfs in de hoop op een gijzelaarsruil. Of misschien was het simpelweg een boze reactie op de jongste resolutie van de Veiligheidsraad van de VN over Iraans nucleaire programma, die weliswaar een dag na de ontvoering werd aangenomen, maar waarvan de inhoud tevoren bekend was. In die resolutie worden gerichte sancties vastgesteld tegen bedrijven waarin de Revolutionaire Garde de dienst uitmaakt en tegen personen, onder wie de bevelhebber van de marine van de Revolutionaire Garde.

Ook als je de aanwezigheid van de Britten en de Amerikanen in Irak dwaas en onwettig vindt, en de aanhouding door Amerikanen van Iraniërs in Irak het toppunt van onwettige dwaasheid, dan nog valt dit optreden van de Iraniërs niet goed te praten. De Britse troepen opereerden als onderdeel van een multinationale strijdmacht onder uitdrukkelijk mandaat van de VN om olie-installaties te beschermen en om de smokkel van vuurwapens naar Irak te verhinderen – vuurwapens waarmee anders nog meer Irakezen zouden worden gedood.

Volgens de gps-apparatuur waarmee de Britse zeelieden werkten, bevonden zij zich meer dan drie kilometer binnen de Iraakse territoriale wateren, toen zij een verdacht vaartuig gingen doorzoeken. De eerste coördinaten die de Iraanse overheid aan de Britten doorgaf als positie van de Britse schepen, bleken óók binnen de Iraakse territoriale wateren te liggen. Pas drie dagen later kwamen de Iraniërs met een tweede, ‘gecorrigeerd’ stel coördinaten, die de Britse schepen aan de verkeerde kant van de grens situeerden.

Aanvankelijk heeft de Britse regering geprobeerd de gevangenen vrij te krijgen met wat de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Margaret Beckett, in het Lagerhuis „officieuze maar ferme diplomatie” noemde, terwijl zij tegelijkertijd haar best deed om de Iraanse regering op alle mogelijke manieren indirect onder druk te zetten. Een van de protesten was een veroordeling door Duitsland, de voorzitter van de EU, die men de Iraanse regering heeft doen toekomen via de Duitse ambassadeur in Teheran. Een diplomatiek deskundige zei mij dat de Iraniërs, nu de afkeuringen en waarschuwingen van alle kanten binnenstromen, de druk beginnen te voelen.

Laten we hopen dat hij gelijk heeft en dat de Britse gevangenen binnenkort weer vrij zijn. Zo niet dan moeten wij ons bezinnen op mogelijke volgende stappen. Weliswaar heeft Javier Solana, die moet doorgaan voor minister van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie, de kwestie vorige week aan de orde gesteld in een telefoongesprek met de voornaamste Iraanse onderhandelaar op nucleair gebied. Maar het is geen goed idee om de hervatting van het nucleaire overleg te koppelen aan de ontvoeringszaak. Iraanse haviken zouden dat overleg maar al te graag om zeep helpen. Wat hun betreft: hoe meer conflicten met Groot-Brittannië en Amerika hoe liever. Waarom zouden wij ons hoofd in die strop steken?

Maar er is iets wat Europa wél zou moeten doen: zijn economische spierballen opzetten. De EU is veruit de grootste handelspartner van Iran. Meer dan veertig procent van de Iraanse import komt uit de EU, en meer dan een kwart van zijn export gaat erheen. Het is opvallend hoe die handel de laatste jaren, terwijl de crisisdreiging toenam, is gegroeid. Deze handel wordt voor een belangrijk deel ondersteund door kredietgaranties van Europese regeringen, vooral van Duitsland, Frankrijk en Italië. Alleen Rusland en China ontvangen meer Duitse exportkredietgaranties dan Iran. En Iran bezet de eerste plaats bij de Duitse export waarvoor de Duitse regering zich garant stelt – de laatste jaren tot wel 65 procent. In 2005 stelde de regering zich in totaal garant voor een waarde van 5,8 miljard euro – meer dan voor Rusland en China.

Naarmate Iran de druk van de VN-sancties en hun neveneffecten sterker begint te voelen, en president Ahmadinejad er minder in slaagt zijn populistische economische beloften waar te maken, wordt die handel met Europa voor het Iraanse regime steeds belangrijker, en wordt dat regime steeds afhankelijker van Europese overheidsgaranties als tegenwicht voor de groeiende politieke gevaren.

Eerder deze week heeft de vroegere Britse minister van Buitenlandse Zaken, Sir Malcolm Rifkind, gevraagd of de Europese vrienden van Groot-Brittannië, met name Duitsland, Frankrijk en Italië, wellicht zouden kunnen worden overgehaald om Iran te wijzen op de mogelijkheid dat dit soort exportkredietgaranties tijdelijk worden opgeschort tot de ontvoerde Europeanen zijn vrijgelaten. Als dergelijke officieuze druk uitblijft, zou Groot-Brittannië geneigd kunnen zijn de kwestie officieel aan de orde te stellen op een bijeenkomst van Europese ministers van Buitenlandse Zaken in Bremen dit weekeinde.

Daar ligt een taak voor Duitsland, de voorzitter van de Europese Unie. Gaat Duitsland zijn woorden waarmaken? Of zijn alle toespraken van zondag over de Europese solidariteit inzake vrede en vrijheid het papier waarop ze staan geschreven nog niet waard?

Timothy Garton Ash is hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Oxford.