Honderd dagen luisteren

Balkenende IV gebruikt de eerste honderd dagen om de samenleving in te trekken.

„Het verbaast me zeer dat de Tweede Kamer niets terughoort van het kabinet.”

Wie dezer dagen een minister aan het werk wil zien, kan het Tweede Kamergebouw maar beter mijden. Debatten met het parlement zijn er nauwelijks, bovendien presenteren de bewindslieden geen nieuwe plannen. De ministers en staatssecretarissen van het kabinet-Balkenende IV zijn honderd dagen op reis, trekken rond met een bus, slapen in achterstandswijken of zijn in gesprek met „mensen in het land” en met maatschappelijke organisaties.

Luisteren naar wat er leeft onder de bevolking is volgens D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold een mooi streven. Maar het zit hem dwars dat het kabinet de aangekondigde periode van honderd dagen luisteren lijkt te gebruiken als ‘retraite’ tot de zomer. „Het verbaast me zeer dat de Tweede Kamer niets terughoort van het kabinet. Ze zijn het land in, en tot die tijd staat de volksvertegenwoordiging buitenspel. Luisteren is prima, maar regeren betekent niet dat ze mogen wegkomen met de kreet: u hoort nog van ons.”

Namens de oppositie heeft VVD-fractievoorzitter Mark Rutte gisteren het kabinet gevraagd om een brief over de werkwijze die het volgt. Is die brief in de ogen van Rutte niet bevredigend, dan zal een spoeddebat volgen om het kabinet te dwingen met de Kamer te praten. De oppositie, van de Partij voor de Vrijheid tot SP, is bang dat het kabinet tot de zomer niet of nauwelijks met voorstellen naar de Tweede Kamer zal komen.

Premier Balkenende (CDA) zei tijdens het debat over de regeringsverklaring, op 1 maart, dat er voor de zomer een concreet beleidsprogramma komt. Daarin zullen, concreter dan in het regeerakkoord, de plannen van het kabinet voor het komende jaar zijn uitgewerkt. Maar dat beleidsprogramma is er nog niet na honderd dagen, op 2 juni. Het komt later. Pas op 25 juni denkt het kabinet zijn zaakjes op orde te hebben.

Fractievoorzitter Arie Slob van coalitiepartij ChristenUnie noemt het „volstrekt normaal” dat het kabinet nog niet veel bij de Kamer op de stoep staat. „Het is toch prima dat het kabinet het land in trekt om te luisteren? Er moet ook vertrouwen zijn dat zij heus wel naar de wensen van de Kamer luisteren.” Volgens Slob hebben de bewindslieden tijd nodig om zich in te werken. „Een ervaren minister als Hirsch Ballin (Justitie, CDA) is al veel in de Tweede Kamer geweest.”

De begroting voor het lopende jaar is opgesteld door het vorige kabinet van CDA en VVD, onder leiding van Gerrit Zalm. De nieuwe ploeg maakt geen aanstalten om veel te veranderen. De eerste gelegenheid hiervoor is de Voorjaarsnota, de bijstelling van de begroting van het lopende jaar die eind mei naar de Kamer wordt gestuurd. Oud-minister Zalm zei kort voor zijn vertrek uit de politiek te verwachten dat zijn opvolger de Voorjaarsnota zou aangrijpen om nieuwe plannen vorm te geven.

Zijn opvolger, PvdA’er Wouter Bos, heeft geen haast. Bos gebruikt de hele maand april om mee- en tegenvallers in de Voorjaarsnota te verwerken. Dat is een hele klus, want er is sprake van ruim 800 miljoen euro aan zekere en ruim een miljard euro aan waarschijnlijke tegenvallers. Omdat Bos het uitgavenplafond net zo strikt hanteert als zijn voorganger, moeten de tegenvallers binnen de departementale begrotingen worden opgevangen. De gesprekken tussen de minister van Financiën en zijn collega’s zijn gaande en verlopen naar verluidt voorspoedig.

Maar van ‘nieuw beleid’ is nog geen sprake. Dat zal moeten wachten tot de Miljoenennota 2008, die het kabinet op Prinsjesdag 2007 presenteert. Dit betekent dat er vóór Prinsjesdag – 18 september – niets gebeurt en dat de maatregelen die op die dag aangekondigd worden op zijn vroegst in 2008 in werking treden. Met deze gang van zaken is het jaar 2007 in financiële zin de voortzetting van Balkenende III, maar dan onder een andere politieke samenstelling.

De tijdrovende overlegstrategie van het kabinet is ten dele een kwestie van ideologie. CDA en PvdA hechten veel waarde aan de mening van maatschappelijke organisaties. Voor de christen-democraten zijn dat vooral schoolbesturen en ziekenhuizen, de sociaal-democraten behartigen de belangen van de vakbonden en niet-gouvernementele organisaties.

Na jaren waarin de overheid meer naar de markt keek – twaalf jaar regeerde de VVD immers mee – is het praten met het ‘middenveld’ een ideologische trendbreuk. Het honderddagenplan is een afgeleide van een oud PvdA-idee. Toenmalig partijleider Ad Melkert kwam in 2002 met het voorstel om een nieuw kabinet na honderd dagen van inwerken met concrete voorstellen te laten komen, een ‘contract met Nederland’. Maar de PvdA verloor de verkiezingen en het plan verdween in een la.

Er is, zo vermoeden sommige betrokkenen, nog een andere reden voor het kabinet om het even rustig aan te doen. Onder druk van de verkiezingen voor de Provinciale Staten hebben de coalitiepartijen CDA, PvdA en ChristenUnie in hoog tempo een coalitieakkoord geschreven. Zo kon het kabinet zich nog voor de verkiezingen aan de kiezer laten zien.

Maar veel belangrijke onderwerpen, zoals de precieze verdeling van ambtelijke afdelingen of de portefeuilles, zijn overgeslagen. Op sommige onderwerpen is het akkoord vaag. Minister Rouvoet (ChristenUnie) moet bijvoorbeeld de precieze grenzen van de nieuwe portefeuille Jeugd en Gezin nog afbakenen. Bovendien zijn er nog onderlinge meningsverschillen over de uitleg van vaag gehouden passages in het coalitieakkoord. Zo heeft de ChristenUnie zich geërgerd aan nuancerende uitlatingen van staatssecretaris Jet Bussemaker (PvdA) over adoptie als alternatief voor abortus. Honderd dagen zijn een welkome tijdwinst om dergelijke interne problemen op te lossen.