De mens is het enige dier dat met vakantie gaat

Trek een aap een toga aan en je ziet hoe weinig dierenrechten om het lijf hebben. Kijken naar de overeenkomsten tussen mens en dier is mooi, maar kijk ook naar de verschillen, betoogtCoen Simon.

Een jaar voor zijn dood maakte Willem Frederik Hermans een reis naar Argentinië. In een radiointerview vertelde hij van het uitzicht over de stranden op het zuidelijkste puntje van het Zuid-Amerikaanse continent. „Van bovenaf gezien, van de klifkust, zie je zo’n strand. Dan zie je die zeehonden of zeeleeuwen liggen. Dat is geen smakelijk gezicht. Het zijn net hele grote larven. Of maden, zoals in vlees.”

‘Van bovenaf gezien’ vallen heel veel verschillen weg. Niet alleen tussen zeeleeuw en made, ook tussen mens en dier. Want zouden we Argentijnse stranden van nog iets minder grote hoogte bekijken, dan zien we nauwelijks verschil tussen een harem zeehonden en een strand vol menselijke badgasten.

Maar is het verschil tussen mens en dier slechts een kwestie van perspectief? Dit lijkt misschien zo als we kijken naar de ontwikkelingen van de afgelopen eeuwen, waarin het beeld van de mens en dat op het dier steeds meer naar elkaar zijn toegegroeid.

Het psychoanalytisch perspectief van Freud toonde een beestachtige natuur onder een dun laagje cultuur en Darwins nieuwe scheppingsverhaal schrapte Jezus Christus als de link tussen mens en God en plaatste de mens in een lange seculiere keten van dieren, met alleen een onopgehelderde missing link – meestal voorgesteld als een aapachtige, maar biologen wijzen ook op de mogelijkheid dat de mens evolueerde uit een aan land gespartelde zeehond of zeeleeuw.

De mode om mens en dier met elkaar te vergelijken komt waarschijnlijk voort uit deze ontwikkelingen en is vooral bon ton onder intellectuelen – het lijkt een intelligente vorm van zelfspot.

Maar het gevaar van vergelijkingen is altijd dat verschillen over het hoofd worden gezien. Ook al lijken mensen soms heel veel op dieren (het genetisch materiaal van chimpansee en mens bijvoorbeeld, is voor 96 procent gelijk), het kenmerkende zit hem juist in het allerkleinste verschil.

Als we willen weten wat het is om ‘mens’ te zijn heeft het geen zin om met een birds eye view de mens te kenmerken. Dat levert slechts generalisaties op die met wat retorisch gegoochel zo van een mens een dier maakt. Zoals de Partij voor de Dieren doet in haar partijprogramma door over dieren te schrijven, dat ze „evenals mensen – levende wezens zijn met bewustzijn en gevoel en daarom net als mensen het morele recht hebben op een respectvolle behandeling door de mens.” Vanaf dit algemene vertrekpunt („wezens met bewustzijn en gevoel”) wil de PvdD uiteindelijk komen tot ‘dierenrechten’.

Zo voorgesteld lijkt het onlogisch en immoreel om geen dierenrechten te hebben, maar geef een aap een rechtershamer en trek hem een toga aan, en je ziet hoe weinig dierenrechten om het lijf hebben. Wetten en rechtspraak functioneren alleen tussen mensen. Als de mens besluit dat het dier met respect behandeld moet worden, dan is dat mooi voor dieren, maar met dierenrechten heeft het niets te maken.

Door uit te zoomen verdwijnen betekenisvolle nuances. Want zouden we wat beter kijken op het strand zelf, dan valt meteen op dat alleen de mens met vakantie gaat, het dier nooit. Dat klinkt misschien banaal, maar het kenmerkt de mens. Zelfs de biologen en gedragswetenschappers die de laatste honderdvijftig jaar het een na het andere tegenvoorbeeld vonden om de Homo sapiens, Homo faber en Homo ludens het unieke bezit op verstand, werklust en spel af te nemen, kunnen van geen dolfijn, bever of aap zeggen dat ze op vakantie gaan.

De Homo vacans of ‘vakantiemens’ draagt zijn titel met gemengde gevoelens. Vacare betekent ‘leeg zijn’– zie ook vacuüm. En dus zegt het vacans minder over zijn vakantiebestemming dan over zijn lotsbestemming. De mens is het wezen dat vecht tegen de leegheid, het sterkst gevoeld tijdens de verveling. Niet wat hij heeft maakt de mens uniek, maar juist zijn gemis maakt hem tot mens. Niets doen op het strand is voor een zeeleeuw wezenlijk anders dan voor een mens.

Te veel uitzoomen vervaagt de blik, te veel inzoomen vertroebelt. Dat laatste overkomt de beroemde Nederlandse etholoog Frans de Waal, die zich dagelijks begeeft onder de dieren. Hij kan zogezegd met apen wat Martin Gaus doet met honden. De beroemde Nederlandse etholoog doet al jaren onderzoek naar mensapen en ziet nu bijna geen verschil meer met de mens. „Indien de rede bestaat uit het nemen van beslissingen op grond van informatie”, schreef hij „zie ik niet hoe mens en dier precies verschillen” (Opinie & Debat, 24 maart).

Rond de verkiezingen, eind 2006, illustreerde hij in het televisieprogramma Pauw en Witteman de werkwijze van de etholoog. Hij becommentarieerde een verkiezingsdebat tussen Bos en Balkenende, dat werd getoond zonder geluid. Zijn observaties waren grappig, maar zeiden meer over zijn politieke voorkeur dan over zijn ethologische kennis van de mens. Bos had een „eerlijker” uitstraling en Balkenende gedroeg zich, met zijn voortdurend knipperende ogen angstig – „cut-off gedrag, zoals we dat in het veld noemen.” Een angstige aap zou het bos in vluchten, „wij sluiten ons af”.

U voelt meteen waar de schoen wringt: wat hebben we aan de vergelijking, als een angstige aap niet het bos in vlucht maar vier keer achter elkaar premier van een land wordt? De observatie zal goed zijn geweest, maar de wetten van het mensenpark zijn anders dan die van de apenrots. Het gedrag van politieke dieren laat zich niet meten aan de gedragsregels van apen. En dus geeft het generaliserende perspectief ook hier geen zinnig beeld van de mens.

Het is jammer dat het gedachtengoed van de joods-Duitse filosoof en bioloog Helmuth Plessner in de vergetelheid is geraakt. Plessner kreeg in de Tweede Wereldoorlog een baan in het laboratorium van de Nederlandse psycholoog Frederik Buytendijk. Buytendijk kon hem aannemen met het geld dat eigenlijk bedoeld was voor een proefdier, een orang-oetan. Dat wij daarom kunnen lachen en die aap niet, legt Plessner uit in zijn filosofische studie Lachen und weinen uit 1941. De mens lacht om situaties waar hij geen grip op kan krijgen. En hoewel het lachen aan de ene kant toont dat hij is overgeleverd aan zijn lichamelijke natuur (de oncontroleerbare stuiptrekkingen en grimassen verraden een op het eerste gezicht nogal dierlijke aard van de mens), zorgt het lachen er wel voor dat de mens de ongrijpbare situaties de baas kan. Een dier daarentegen zou vluchten of in de aanval gaan.

Apen, zeehonden, ethologen, politici en schrijvers, uiteindelijk belanden ze allemaal onder de grond, waar ze – „geen smakelijk gezicht” – transformeren tot een kluwen maden. Tot die tijd is een mens geen dier.

Coen Simon is filosoof.