Autoloze zondag niet doordeweeks

Hoe krijg je Nederlandse gemeenten zo ver om af en toe een autoloze zondag te organiseren? Daarover ondervroegen ambtenaren en actievoerders gisteren Pascal Smet, minister voor Mobiliteit in de stad Brussel.

De jaarlijkse autoloze zondag in Brussel is een groot feest, zo vertelde de sociaal-democratische minister. „Normaliter is de auto de koning. Van alle verplaatsingen over minder dan vijf kilometer gaat 65 procent met de auto, en zelfs voor minder dan één kilometer wordt in een kwart van de gevallen de auto gebruikt. Maar op de autoloze zondag in september is de stad daarvan bevrijd.” De effecten zijn groot. „Ongelooflijk” noemt Smet de geluidsreductie. De grafieken voor luchtverontreiniging vertonen op deze dag een zeer diepe val. Uit enquêtes blijkt dat 87 procent van de Brusselaars voorstander is van de autovrije dag. Alle reden dus voor Nederlandse steden om goed naar Brussel te luisteren. Betrek het verenigingsleven erbij, houdt Smet de Nederlanders voor, organiseer barbecues op straat, leg picknickweides aan, maar doe het vooral niet doordeweeks. „Want dan zou alles plat komen te liggen.”

In Brussel is één dag per jaar de auto taboe. Maar, zo geeft Smet toe, het terugdringen van autoverkeer op andere dagen verloopt moeizaam. „Daar kunnen wij nog veel van Nederland leren.” Met het aanleggen van fietspaden is pas onlangs een begin gemaakt. Fietsen wordt in het algemeen niet erg geapprecieerd. „Vooral allochtonen beschouwen de fiets als het vervoermiddel van de armen.” Voor een congestion charge zoals in Londen voelt Smet weinig. Voor een „restrictief parkeerbeleid” zoals in Nederland des te meer. Misschien, denkt de minister, zou het helpen parkeergarages goedkoper te maken dan plaatsen op straat. En dat is in Nederland al heel gebruikelijk.