Verveling is begin van vrijheid

Verveling en creativiteit staan dicht bij elkaar.

Er is daarom geen enkele reden om erop neer te kijken.

Drie uur in de middag is het tijdstip van de verveling. Is er ooit een geslaagde dichtregel geschreven, een frisse gedachte ontwikkeld of een wetenschappelijke vondst gedaan in de lege uren, als de dag uitgeput begint te raken en de avond op zich laat wachten? ‘Drie uur. Drie uur, dat is altijd te laat of te vroeg voor alles wat men wil doen’, schrijft Sartre in zijn roman Walging.

Sartre is een van de auteurs die de revue passeren in ‘De taal der verveelden’, in de amusante inleiding waarmee de Rotterdamse filosoof Awee Prins zijn zeer leesbare proefschrift Uit verveling begint. Pessoa komt voorbij, Kierkegaard, Beckett, de aartspessimisten Leopardi en Schopenhauer, en vele Russen, met hun door ‘overtollige mensen’ bevolkte literatuur, inclusief natuurlijk de aartsluiaard Oblomov.

De verveling heeft ook een eigen levensfase, de adolescentie. De jeugd verveelt zich – hoeveel playstations en hangplekken ze ook tot haar beschikking heeft. Sommige mensen komen daar nooit helemaal overheen, en tot die mensensoort behoort, naar eigen zeggen, Awee Prins: ‘Ik heb mij altijd verveeld’, bekent hij in de ‘Kroniek van een verveeld leven’, waarmee hij de persoonlijke motieven van zijn onderzoek inzichtelijk maakt. Toch schuilt er een forse paradox in het schrijven van een turf van meer dan 400 bladzijden over de verveling; wie zich werkelijk stierlijk verveelt, kan zo’n krachtsinspanning niet opbrengen. De echte radicale vervelers zijn niet de canonieke filosofen en schrijvers die Prins opvoert; ze zijn roemloos in de geschiedenis ten onder gegaan, geen mens heeft ooit van ze gehoord. Why bother?

Dat verveling een relatie heeft met creativiteit, is niet moeilijk na te voelen. Wie zich nooit heeft verveeld met wat er is, met wat er al bestaat, heeft ook niet veel reden om verder te kijken dan zijn neus lang is. Zo bezien velt iemand met de uitspraak ‘Ik verveel me nooit’, een tamelijk dodelijk oordeel over zichzelf. De verveling is natuurlijk ook geen garantie voor een creatieve sprong. Maar er is ook geen reden om op de verveling neer te kijken.

Dat is wel wat er in de literatuur en de filosofie vaak gebeurt, meent Prins – enigszins in tegenspraak met alle auteurs die hij aanhaalt, die iets over de verveling hebben gezegd. Angst staat als filosofisch motief (vooral sinds Kierkegaard) volgens hem veel hoger aangeschreven dan verveling. Dat is te verklaren. Verveling is de hel op een laag pitje – monotoon en grijs – maar aan levensangst kleeft intensiteit en drama. Om de verveling filosofisch respectabel te maken zal een deel van dat existentiële drama, om niet te zeggen de glamour van grote gevoelens zoals verlangen of angst, op de verveling moeten worden overgedragen.

Dat kan bijvoorbeeld door de verveling uit te roepen tot het kenmerkende fenomeen van de moderne tijd, of nog alarmerender: onze tijd. Prins haalt een groot aantal cultuurcritici aan die met het begrip de moderne liberale, democratische, massamaatschappij te lijf zijn gegaan (van Nietzsches ‘laatste mens’ die ook opduikt in Fukuyama’s Einde van de geschiedenis tot Peter Sloterdijks globaliseringskritiek in Het kristalpaleis). Maar zulke klaagzangen worden zelf snel eentonig, zeker als ze zo na elkaar staan opgesomd. Is er ooit een tijd die men niet als leeg, versnipperd, zinloos en verward heeft ervaren? Ondertussen laat Spenglers ondergang van het Avondland nog altijd op zich wachten.

Enter Heidegger. Martin Heidegger beschouwde de cultuurkritiek niet als de diagnose, maar als een symptoom van verveling. We vervelen ons zó dat we ons daarom een profetische rol aanmeten in de wereldgeschiedenis, om onszelf ‘weer interessant te maken voor onszelf’. Maar het werkt niet; het blijft een placebo. Om de verveling werkelijk onder ogen te zien is volgens Heidegger een heel andere houding nodig. Allereerst door de verveling te erkennen, en in zijn volle omvang tot ons door te laten dringen – zonder ervoor weg te vluchten in oppervlakkig amusement en verstrooiing. Alleen vanuit zo’n ‘moedige’ houding is wellicht de sprong vanuit de verveling naar ‘iets anders’ mogelijk.

Dat is ook een manier om het vuurtje op te stoken en de verveling drama en betekenis te geven – terwijl het kenmerk van de verveling juist het sluimerende, maar verlammende besef van zinloosheid is. Maar het is een spannendere weg dan de gebaande paden van de cultuurkritiek. Prins volgt Heidegger op zijn denkweg – met grote deskundigheid en oog voor details, maar ook een tikje volgzaam en exegetisch, ondanks de manhaftige aankondiging in het voorwoord dat hij ‘niet te veel wil heideggeren’.

En hoeveel exegese kan Heidegger verdragen? Het gaat hem in Die Grundbegriffe der Metaphysik niet primair om de triviale huis-, tuin- en keukenverveling. Die beschrijft hij weliswaar nauwkeurig, maar doet dat om vervolgens door te stoten naar wat hij de ‘tiefe Langweile’ noemt. Pas in de diepe verveling komen we oog in oog te staan met de onbepaaldheid van het Dasein, met de afgrond van het menselijk bestaan – en daarmee met de vrijheid. Door de diepe verveling zijn we losgemaakt van alle aardse beslommeringen en verbintenissen – pijnlijk maar filosofisch heilzaam. In de verveling toont zich de leegte, en in de leegte ervaren we een speelruimte, waarin we tastend kunnen zoeken naar een authentieke verhouding tot het Zijn, die ons in de dagelijkse werkelijkheid ontgaat, waartoe we niettemin zijn gedoemd.

Later komt Heidegger, ondanks zijn overtuigende kanttekeningen bij het cultuurpessimisme, toch dicht in de buurt van een radicaal-conservatieve cultuurkritiek. De ‘zijnsvergetelheid’ van de moderne tijd, het tijdperk van de techniek, vat hij dan samen onder de noemers het Machinale, het Reusachtige, de Snelheid en de Belevenis, als de verwording van de authentieke ervaring. (Gelieve hier zelf voorbeelden in te vullen met ergerniswekkende verschijnselen uit de actualiteit.)

Dit zijn de kenmerken van het tijdperk van het nihilisme zoals Nietzsche dat vóór Heidegger heeft gedefinieerd. Nietzsches tijdgenoten konden nog huiveren bij de gedachte aan een goddeloos, zinloos universum, nu halen velen er hun schouders over op. Prins schrijft: ‘Niet langer de angst, het tijdperk van het doorbrekende nihilisme, maar de verveling, de grondstemming van het almaar voortdurende nihilisme is de „toestand” waarin wij ons bevinden.’

Gelukkig biedt Prins ook een uitweg. Hij besluit zijn boek met een pleidooi om een besef te ontwikkelen en te koesteren van de geheimzinnigheid van de ons omringende ‘dingen’, zonder ze vast te willen leggen in gestolde, conceptuele begrippen. Met de latere Heidegger pleit hij voor een poëtische levenswijze van ‘verstilling’ en ‘verwijlen’, van ‘verwondering’ en ‘inkeer’ – een denken waarin elk concreet ding ‘eenzaam en langzaam’ mag zijn. Dat is een prachtige, pastorale boodschap, maar ook wel erg zoetelijk en braaf. Voor wie zich snel verveelt, is zo’n leven vermoedelijk niet weggelegd.

Meer verveling en filosofie is te vinden op: www.filosofiemagazine.nl/artikelDetail.lasso? ID=2019&-token.kop=

Awee Prins: Uit verveling. Klement, 437 blz. € 34,95