Oude achterstanden

Beleid is zelden nieuw, het geld dat ervoor wordt uitgegeven wel. Dat geldt ook voor het aanwijzen van veertig probleemwijken waarin minister Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA) extra gaat investeren. De formulering en de selectie roepen herinneringen op aan het Probleemcumulatiegebiedenbeleid of het Achterstandsgebiedenbeleid. Met deze lange woorden wilde het eerste kabinet-Lubbers (CDA, VVD) in 1983 een antwoord formuleren op de populariteit van de Centrumpartij in sommige arme wijken. In het derde kabinet-Lubbers (1989-1994, CDA, PvdA) werd dat beleid herdoopt tot sociale vernieuwing. Ook werd de term grotestedenbeleid gebruikt. Onder Paars I werd Kohnstamm (D66) als staatssecretaris belast met deze portefeuille. Zijn opvolger, Van Boxtel (D66), was echt minister voor grotestedenbeleid. In 2002 selecteerde minister Kamp (Volkshuisvesting, VVD) 56 wijken voor speciale investeringen. Miljarden zijn eraan opgegaan.

De resultaten van al deze inspanningen moeten Vogelaar bescheiden stemmen. Er zijn veel oorzaken waardoor miljarden verkeerd terecht kunnen komen. Ze zijn vaak genoemd in evaluaties en rapporten. Vaak was de aanpak te gecentraliseerd: het beleid in de wijken wordt niet afgestemd op de lokale noden. Departementen werken langs elkaar heen. Terwijl het kabinet investeringen deed in arme wijken, werden de woningbouwcorporaties verzelfstandigd. Terwijl buurtwerkers namens de ene minister de onderlinge band van de bewoners proberen te versterken, subsidieert de andere minister de fusies van de lokale scholen en daar raakt dan het sociale overzicht weer verloren. Het is een van de oorzaken van de hoge uitval van leerlingen, en die vormen dan vaak een extra probleem voor de achterstandswijken. Vaak worden arme inwoners met sociale en economische problemen van de ene naar de andere wijk verplaatst.

De verdeeldheid tussen ministeries en de onderlinge strijdigheid van hun beleid is niet gemakkelijk tegen te gaan. Wel kunnen de effecten worden verzacht door decentralisatie. Gemeenten die direct met de achterstandsproblemen te maken hebben, weten beter dan Den Haag waaraan het geld moet worden besteed.

De problemen in achterstandswijken zijn te veelsoortig en te veranderlijk om met een wetenschappelijk getoetst beleid te kunnen bestrijden. Nederland is niet het enige land dat met deze problemen kampt. Miljarden subsidie van de Franse staat voor de banlieues hebben niet kunnen voorkomen dat daar telkens opnieuw rellen uitbreken. Er zijn veel rijke landen met sloppenwijken die er treuriger uitzien dan de veertig geselecteerde Nederlandse wijken. Dat betekent dat er in de wirwar van beleidsplannen ook wel eens iets goed is gegaan.

De voornaamste les is dat overheden moeten blijven investeren in arme wijken en dat er geen verborgen sleutel voor alle problemen bestaat, net zomin als een bezem die het probleem van de vuile vloer voor altijd oplost. De schoonmaker moet steeds opnieuw terugkomen en opnieuw vegen.