Op Tenerife zijn dertig jaar opeens weg

Nabestaanden herdachten vandaag de vliegramp van 1977 op het eiland Tenerife, waarbij 248 Nederlanders omkwamen. De ramp betekende een keerpunt.

Nicolette Swart-Kolenburg en haar man Cees hadden er een paar dagen vakantie aan vast willen plakken. Het monument bekijken en dan nog twee dagen aan het zwembad. „Dat lukt niet”, zegt ze nu. Dertig jaar geleden verloor ze haar zus en haar zwager. Toen ze gisteren op de luchthaven was, „waren die dertig jaar weg. Het was gisteren”. Hij zegt: „Wij zagen de vliegtuigen opstijgen. Je ziet het plaatje zo voor je.” Zij: „We stonden allemaal te janken.”

In de hal van het witte gewelfde auditorium in Santa Cruz staat het echtpaar Swart tussen honderden andere nabestaanden te wachten tot de herdenkingsbijeenkomst begint. Op het podium staan bloemstukken met witte lelies. Er zijn onder meer vlaggen van Nederland, de Verenigde Staten en Spanje. Namens Nederland zijn minister Eurlings (Verkeer en Waterstaat, CDA) en KLM-topman Van Wijk aanwezig.

Het is bewolkt in Santa Cruz. Er zijn vooral veel mensen van middelbare leeftijd aanwezig, met kinderen. Ze komen bijeen op Tenerife om de 583 slachtoffers van de grootste luchtvaartramp ooit te herdenken, vandaag precies dertig jaar geleden. Later op de middag zou een monument worden onthuld. Veel Nederlandse nabestaanden waren zondag al naar het vakantie-eiland gevlogen. Ze maakten een rondrit over het eiland, de luchthaven, de landingsbaan. Daar kwamen bij de ramp alle 248 Nederlandse inzittenden om van een KLM Boeing 747 toen die op een Amerikaanse Boeing 747 van PanAm botste.

De ramp maakte grote indruk in Nederland, door het grote aantal doden en het feit dat veel naaste familieleden samen waren omgekomen. ‘Tenerife’ werd een begrip in de collectieve herinnering van de jaren zeventig, toen voor veel Nederlanders vliegvakanties binnen bereik kwamen.

De ramp markeert ook het begin van een langzame ommekeer in het denken over nazorg en hulp aan slachtoffers. „Tijdens de rouwdienst had ik geen contact met mijn buurman of buurvrouw”, zegt Jan Groenewoud (50), die als 20-jarige zijn ouders, jongste zus, en oudste zus met haar gezin verloor.Niemand bood hem en zijn twee oudere broers deskundige hulp aan. Niemand had het er meer over. Hij ging weer gewoon aan het werk.

„Het waren andere tijden”, zegt Magda Rooze, directeur van Stichting Impact, kenniscentrum voor psychosociale opvang na rampen. Er was nog nauwelijks kennis over wat een ramp met mensen doet, hoe ze zich slechter kunnen concentreren, niet kunnen slapen, lichamelijke klachten krijgen.”

Pas vijftien jaar later, toen een Boeing 747 neerstortte in de Amsterdamse Bijlmermeer, kwam het besef dat de nazorg aan slachtoffers moest worden verbeterd. Sindsdien wordt nazorg aan slachtoffers van rampen als een overheidstaak beschouwd.

Een jaar later praatte iedereen nog over de Bijlmerramp. Bij de herdenking vijf jaar later weer. Groenewoud: „Toen dacht ik: nu moet er iets gebeuren.” Hij zocht psychische hulp én richtte de Stichting Nabestaanden Slachtoffers Tenerife op. Bij de herdenking in de RAI, vijf jaar geleden, moest voor het eerst na 25 jaar de stilte worden doorbroken, zegt Groenewoud. Op begraafplaats Westgaarde werd een monument geplaatst.

Wat nog ontbrak, zegt hij nu, was een internationaal monument. . De vorig jaar overleden Nederlandse kunstenaar Ruud van de Wint ontwierp een achttien meter hoge stalen constructie, een wenteltrap die abrupt ophoudt. Volgens de nabestaanden is het een symbool van oneindigheid. Minister Eurlings, die net als KLM-topman Van Wijk het gezelschap toesprak ziet het als „een waarschuwing aan de mondiale luchtvaartwereld”, voor meer veiligheid.

Magda Rooze van Impact zegt dat van iedere ramp werd geleerd – strengere regels – maar dat ook makkelijk wordt vergeten. „Als er een aantal jaren geen ramp is gebeurd, zie je dat de kennis wegzakt. We moeten, nu er alweer een aantal jaar geen ramp is gebeurd, veel moeite doen het onderwerp op de politieke agenda te houden.” Bij een ramp in het buitenland, zegt ze, blijft het ook nog altijd lastig de slachtoffers te vinden en te blijven weten hoe het met ze gaat, zoals bij de tsunami in 2004. Voor nabestaanden en overlevenden van de tsunami werd een herdenkingsbijeenkomst georganiseerd, er kwam een boekje met interviews.

Rooze: „In het algemeen lukt het driekwart van de slachtoffers om op eigen kracht te herstellen, met steun van familie en vrienden. Een kwart kan dat niet en heeft hulp nodig.”

Jan Groenewoud zegt dat zijn missie is volbracht. „Er is zand over gegaan. Met het internationale monument nu wordt de geschiedenis recht gedaan.”