Nucleaire inspecties van Iran goed voor stabilisering regio

Veel beter dan aan te koersen op een militaire ingreep in Iran is het om aan te dringen op inspecties van de nucleaire installaties, schrijft Christoph Bertram.

Een Amerikaanse volkswijsheid stelt dat if you are in a hole, stop digging. Oftewel beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

De zes regeringen die zich thans bezinnen op nieuwe stappen om te voorkomen dat Iran een kernwapen ontwikkelt – de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plus Duitsland – moeten dat ter harte nemen. Anders hebben ze misschien helemaal geen vat meer op het Iraanse nucleaire programma, en nog maar één – nutteloze – optie: militair ingrijpen.

Toch lijken de zes regeringen vast van plan de tot dusverre gevolgde strategie voort te zetten. Zij zijn alleen bereid tot overleg als Iran eerst zijn nucleaire verrijkingsactiviteiten staakt; en alleen als Iran voorgoed van verrijking afziet, stellen zij substantiële beloningen in het vooruitzicht – van opheffing van alle sancties en handelsrestricties, tot veiligheidsgaranties.

Deze strategie werkt niet en zal nooit werken. Onder het nucleaire Non-proliferatieverdrag (NPV), waarbij Iran nog altijd aangesloten is, mogen landen uranium verrijken voor civiele doeleinden – en meer zegt Iran ook niet van plan te zijn.

Uiteraard zou een beëindiging van het hele Iraanse verrijkingsprogramma welkom zijn, al was het maar omdat de Iraanse regering die activiteiten bijna twee jaar lang voor de NPV-inspecteurs verborgen heeft gehouden, wat erop wijst dat er niet louter civiele motieven in het spel zijn.

Maar de kwestie van de verrijking is zo opgeblazen tot een ijkpunt van nationale soevereiniteit, dat geen enkele regering – niet alleen het huidige regime van Ahmadinejad – in dezen een stap terug zal doen. Sterker nog: toen de Veiligheidsraad vorig jaar december officieel stopzetting van het verrijkingsprogramma eiste en lichte sancties oplegde, heeft Iran brutaalweg de verrijkingsactiviteiten opgevoerd.

Wat dan? Zoals was te verwachten dringt de regering-Bush, op basis van een waarschuwing die besloten ligt in de eerdere VN-resolutie, aan op nieuwe, strengere sancties, met het argument dat de geloofwaardigheid van de VN op het spel staat. Dit argument werd ook in de aanloop naar de inval in Irak gehanteerd. Maar de lakmoesproef voor de geloofwaardigheid van de VN is in dit conflict uitsluitend of zij erin zullen slagen om het Iraanse nucleaire programma zoveel mogelijk te beperken tot een civiel programma.

Door strengere economische sancties zal Iran zich niet laten dwingen; daarvan zullen alleen de handelspartners van dit gas- en olierijke land de dupe worden. Nieuwe dreigementen zullen de internationale gemeenschap alleen maar verder de escalatiespiraal in drijven, en uiteindelijk misschien aanzetten tot militair optreden.

Sommigen in de naaste omgeving van Bush zouden niets liever willen. Hoewel zelfs een grootschalige luchtaanval niet álle nucleaire installaties van Iran zou kunnen vernietigen, en bovendien de technische knowhow niet zou aantasten, zou zo’n aanval mogelijk het programma althans voor enige tijd vertragen, en een waarschuwing zijn voor andere prolifererende landen.

Maar het is een roekeloze gok. Op dit moment verklaart Iran dat het zich aan het Non-proliferatieverdrag zal houden en dat het niet van zins is een atoombom te ontwikkelen. Na een militaire aanval door de Verenigde Staten kunnen we die twee toezeggingen wel vergeten.

Als de zes regeringen de escalatiespiraal willen vermijden en de dynamiek van de proliferatie willen beteugelen, moeten zij van strategie en doelstelling veranderen. In plaats van stopzetting van de uraniumverrijking tot hun heilige graal te maken, moeten zij eerst en vooral zo nauwkeurig mogelijk toezicht uitoefenen op de activiteiten van Iran: als dat land wil verrijken, het zij zo, maar dan moet het scherp internationaal toezicht toelaten.

Op zo’n overeenkomst hebben de Iraniërs zelf herhaaldelijk gezinspeeld. De Zes hebben dit geweigerd, omdat controle geen volslagen zekerheid kan bieden dat niet een deel van het verrijkte uranium voor militaire doeleinden wordt aangewend. Maar zoals de supermogendheden in de Koude Oorlog hebben ondervonden, maakt de onmogelijkheid van waterdichte controle inspectie nog niet zinloos. Het Iraanse programma zou daardoor nog altijd aan strengere beperkingen onderworpen worden dan thans het geval is. Bovendien zou zo’n overeenkomst de weg vrijmaken voor verdere afspraken tussen Iran en het Westen over samenwerking en stabilisering van de regio.

Daarom moeten de Zes ten halve keren. In plaats van nieuwe sancties voor de Veiligheidsraad van de VN op te stellen, moeten zij de komende maanden benutten om sub rosa na te gaan tot welke mate van restricties in combinatie met toezicht Iran bereid zou zijn om ongestoord te kunnen verrijken.

De Zes moeten de optie van strengere resoluties om Iran tot inschikkelijkheid te dwingen zeker openhouden. Maar wie nu een beroep doet op de Veiligheidsraad om het optreden van Iran met spoed te veroordelen, moet twee dingen wel bedenken: de kans dat zulke resoluties iets uithalen is klein, en de Verenigde Staten hebben zulke resoluties al eerder gebruikt als voorwendsel om op eigen houtje militair in actie te komen.

Christoph Bertram is oud-directeur van het Duitse Instituut voor Internationale en Veiligheidsaangelegenheden in Berlijn. © Project Syndicate