Jonger, armer en allochtoner

Met zeven probleemwijken telt Rotterdam het hoogste aantal achterstandswijken op minister Vogelaars lijstje.

Hoe kan dat?

Verbaasd kijkt een gepensioneerde bewoner van de Resedastraat op deze vroege maandagochtend het vijftienkoppige, ministeriële gezelschap na. Waarom, vraagt hij zich af, belt de minister niet gewoon aan bij de oude mensen? „Dan weet ze precies wat er leeft in de wijk.”

Minister Ella Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA) begon gisteren aan haar wijkentoer, onder het motto ‘Samen buurten, samen binden’. In Rotterdam, waar anders? De stad die maar liefst zeven van de veertig achterstandswijken telt op de lijst die het ministerie van VROM vorige week publiceerde.

In totaal heeft minister Vogelaar jaarlijks 400 miljoen euro voor alle wijken samen te besteden. Daarvan zal een relatief groot deel gaan naar het gebied ten zuiden van de Nieuwe Maas – 200.000 inwoners – , dat worstelt met grote sociaal-economische problemen. Die financiële hulp komt bovenop de ruim 1 miljard euro die de gemeente Rotterdam en de woningcorporaties de komende tien jaar al in het ‘Pact op Zuid’ hebben toegezegd.

Hoe kan het dat Rotterdam zoveel achterstandswijken telt?

Dominic Schrijer, de Rotterdamse PvdA-wethouder voor Werk, Sociale Zaken en Grotestedenbeleid, weet het antwoord wel. Decennialang, zegt hij, pompte het stadsbestuur miljoenen in wat tot voor kort nog ’s werelds grootste haven was. „Vanuit de gedachte: als het goed gaat met ons economische kroonjuweel, gaat het goed met de stad. Terwijl na de oorlog al vrij snel duidelijk was dat de haven niet meer de banenfabriek van weleer was.”

Schrijer was acht jaar lid van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois in Oud-Zuid, een van de zeven Rotterdamse achterstandswijken op de lijst. Als geen ander kent hij, zelf woonachtig in Rotterdam-Zuid (Heijplaat), de oorzaken en achtergronden van „vrijwel alle sociaal-economische problemen die zich samenballen in deze stad, en dan vooral op Zuid”.

Volgens zijn collega-wethouder Jantine Kriens van Volksgezondheid, Welzijn en Maatschappelijke Opvang telt Rotterdam (584.356 inwoners) naar schatting 15.000 huishoudens waar mensen langdurig en vaak van de ene generatie op de andere afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering. De doorstroom naar een inkomen uit arbeid stagneert, al jaren. „In Rotterdam is het probleem bovenmaats, omdat er historisch gezien altijd al een omvangrijke harde kern van laagopgeleiden en laagbetaalden geweest is”, zegt Kriens, die in vier jaar bijna 14 miljoen euro uittrekt voor armoedebestrijding.

Ter verklaring van de economische achterstandspositie van Rotterdam wordt vaak gewezen op de ‘witte vlucht’ van de autochtone middenklasse vanaf het begin van de jaren zeventig. „Maar de sociaal-economische uitholling begon veel eerder, met het vertrek van de havenbaronnen”, zegt Schrijer. „De haven trok eind negentiende, begin twintigste eeuw vooral ongeschoolde arbeiders uit Brabant en Zeeland. Die deden relatief dom en smerig werk, waarvan de elite zei: prima, maar die troep uit die schepen wil ik niet voor mijn voordeur. En dus verlieten ze hun statige woonhuizen, en vertrokken ze en masse naar Wassenaar.”

Maar de grootste klap volgde inderdaad in de jaren zeventig, toen de tot middenklasse opgeklommen arbeiders massaal uitweken naar omliggende randgemeenten als Barendrecht, Ridderkerk en Berkel en Rodenrijs. Schrijer: „Een mooi voorbeeld van de sociaal-democratische droom van de verheffing van het proletariaat, want de burger kon het zich financieel ineens veroorloven. Maar wel een verheffing met voor de stad dramatische gevolgen.”

Mede door de scheve bevolkingssamenstelling heeft Rotterdam de slag gemist, constateerde econoom en hoogleraar Arie van der Zwan drie jaar geleden in een uitgave van de Wiardi Beckman Stichting, getiteld Rotterdam. Omdat van een ideale arbeidsmarkt geen sprake (meer) was, trokken investeerders weg. Bij gebrek aan werk gleed, aldus Van der Zwan, de onderkant van de arbeidsmarkt nog verder af.

Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich veel havenarbeiders bezuiden de Nieuwe Maas, in betaalbare woningen in wijken als Pendrecht, Tarwewijk en Heijplaat. Na de modernisering van de havenbedrijven raakten veel mensen hun baan kwijt en belandden ze in de bijstand. Daar bovenop kwam de massale instroom, ingezet vanaf het begin van de jaren zeventig, van laagopgeleide en dus kansarme allochtonen, die de plaatsen innamen van de weggetrokken autochtone bevolking. „Zuid werkte als een magneet op de onderklasse”, zegt Schrijer. „Met als gevolg een accumulatie van de kansarmoede.”

Die scheve bevolkingssamenstelling in Rotterdam laat zich volgens Schrijer anno 2007 vergelijken met „een soort platgeslagen ui”: een kolossale onderklasse, een kleine middenklasse en „een vrijwel non-existente bovenlaag”. Officiële cijfers bevestigen dat beeld. Slechts een op de drie werknemers woont ook daadwerkelijk in Rotterdam, daar waar dat in Amsterdam een op een is.

Rotterdam werkte de problemen deels in de hand door jarenlang kunstmatig vast te houden aan de bestaande woningvoorraad, die wordt gedomineerd door relatief veel goedkope, sociale woningbouw. Aangemoedigd door de regerende PvdA-elite, voor wie „betaalbaar wonen voor Jan met de pet” volgens Schrijer heilig was in de van oudsher ‘rode stad’. „Aan die norm viel niet te tornen. De gevolgen, voor zover die überhaupt al bekend waren op het stadhuis, nam men voor lief.”

De heersende bestuurscultuur werkte daarbij ook niet in het voordeel van de stad. „Wij Rotterdammers weten van aanpakken, wij lossen het wel op – dat was de moraal”, zegt Schrijer. Het tegendeel bleek waar, weet directeur Martien Kromwijk van Woonbron, met 25.000 woningen een van de grootste en actiefste corporaties in de stad. „Rotterdam is kampioen in het reproduceren van de eigen armoede.” Dat blijkt: liefst 60 procent van de kinderen groeit op in een probleemwijk.

Op uitnodiging van het stadsbestuur logeerde minister Vogelaar van zondag op maandag in de probleemwijk Hillesluis, in een ‘logeerhuis’ aan de Beukelaarstraat. Het is een van de twee woningen die de stad twee maanden geleden opende om bestuurders kennis te laten maken met het alledaagse leven in een achterstandswijk. Vogelaar sliep in dezelfde straat, als waar de politie vorige week een verdachte arresteerde van de moord op banketbakker Albert de Heer.

En wat vond minister Vogelaar van de stad die te boek staat als ‘de aanvoerder van de foute lijstjes’? Boeiend, maar minder zwart-wit dan verwacht. „Behalve problemen ben ik vandaag ook veel kracht in de achterstandswijken tegengekomen.”