Is Van Basten of Oranje overschat?

Wat een sof, zaterdagavond, op de juist deze keer ook nog eens wonderlijk slechte grasmat van het Stadion Feyenoord in Rotterdam. Wat saai, hoe weinig creatief, wat een rare opstelling, wat een vreemde wissels, wat een antireclame voor volkssport nummer één. ‘Fantasieloos Oranje oogst fluitconcert’, stond er gisteren in deze krant boven het verslag van de voetbalinterland Nederland-Roemenië. ‘Nederlands elftal is een parodie op topvoetbal’, had de Volkskrant boven haar wedstrijdverslag gezet. Op bondscoach Marco van Basten sloeg de kop boven een beschouwing in diezelfde krant: ‘Bouwmeester schiet opnieuw te kort’. Meer nog, in die beschouwing heette het dat de meeste opgestelde spelers bij hun club in goeden doen zijn maar samen in Oranje ,,een hulpeloze en verweesde indruk” hadden gemaakt. En niet omdat een elftal, elk elftal, wel eens een mindere dag kan hebben, bij wijze van incident als het ware. Nee, schreef beschouwer Paul Onkenhout, „het was een optelsom van een reeks onlogische beslissingen van een bondscoach die er maar niet in slaagt de nationale voetbalploeg naar zijn hand te zetten”.

De nimbus rond het hoofd van Nederlands beste naoorlogse voetballer na Johan Cruijff (en Faas Wilkes?) was vorige zomer al wat doffer geworden wegens het teleurstellende spel van Oranje in Duitsland, tijdens het toernooi om het wereldkampioenschap. Dat spel was niet zo dominant en aanvallend als de bondscoach zelf als doelstelling afgekondigd had toen hij juli 2004, hartelijk aanbevolen door zijn oudere vriend Cruijff en nog voorzien van een ongewoon prachtige stralenkrans, aantrad. Integendeel, van die door Nederlandse voetbalsupporters als vanzelfsprekend beschouwde deugden was vorige zomer weinig te zien. In plaats daarvan was het spel behoedzaam en verdedigend en, vooral in de verloren wedstrijd tegen Portugal, soms veel te hard. Onbedoeld komisch was dat het Duitse elftal, waarover in Nederland veelal tamelijk minachtend wordt gesproken, van dat toernooi een nationaal zomersprookje rondom ‘die schönste Nebensache der Welt’ maakte. Een zomersprookje met een enthousiasmerend effect tot ver buiten de sportwereld. Het door vele zorgen geplaagde Duitsland had zichzelf op het voetbalveld even opgetild. De grote coalitie in Berlijn heeft er nog baat bij gehad.

Van Basten gold bijna drie jaar geleden als antipode van zijn vooral in de media onbeminde voorganger Advocaat en werd zodoende ook als een nieuwe wonderdokter binnengehaald. Zoiets is in de sportwereld niet ongewoon, daarbuiten trouwens ook niet. Maar in dit geval speelde het ook een rol dat veel sportjournalisten, en hun sfeergevoelige meelopers in vele talkshows, zó over die arme Advocaat waren heengevallen dat diens opvolger bijna vanzelf wel een gigant moest zijn. Interessant verschijnsel is dat overigens, de relatie tussen het internationale succes van een sportheld, of een sportteam, en de journalistiek, die altijd enigszins ‘afhankelijk’ is van het succes van zo’n sportheld. Want wanneer zo iemand, zeg een Nederlandse tennisser, tot de internationale top behoort, dan kan een redacteur hem gerust volgen naar een toernooi in Tallahassee. Maar speelt hij wat minder, dan is de reis naar een toernooi in Hamburg al aan de verre (en dure) kant.

Terug naar Van Basten. Een enkeling wees er zomer 2004 op dat hij weliswaar als speler een schitterende staat van dienst had maar nog maar heel weinig ervaring als trainer, namelijk bij het tweede elftal van Ajax, samen met zijn bij FC Twente als trainer gesjeesde vriend John van ‘t Schip, die ook bij Oranje zijn assistent en klankbord is. Maar zulke enkelingen werden toentertijd nog als zonderlinge, misschien wel jaloerse, dwaallichten beschouwd. Inmiddels bestaat er voor hun mening kennelijk in bredere kring begrip, mag men – gelet op de koppen in de media – aannemen.

Twaalf jaar geleden is het dat Van Basten, toen dertig jaar, wegens een ernstige blessure afscheid moest nemen als speler. Hij was drie keer Europees en drie keer wereldvoetballer van het jaar geweest en werd in Italië, waar hij (met de ‘zwarte tulpen’ Gullit en Rijkaard) voor AC Milan speelde, gevierd als de ‘Da Vinci van het voetbal’. ,,Een leven zonder voetbal kan ook mooi zijn”, zei hij in een terugblik in deze krant. Een paar jaar later (2003), in Sport International: ,,Ik weet niet of ik trainer zijn wel leuk vind.”

De man is een nuchtere baas dus, met een zekere hang naar eigenzinnig optreden, waarvoor hij de verklaring niet steeds aan ieders neus wil hangen. Dat het hosanna van drie jaar geleden niet permanent zou zijn, moet hij hebben vermoed. Hij doet daarover, anders dan zijn voorgangers Van Gaal en Advocaat, dan ook vrij laconiek.

Misschien is hij het zelfs een beetje eens met de vroegere Duitse international Netzer, die zaterdagavond voor de Duitse televisie opmerkte dat het Nederlands elftal de afgelopen jaren hier en daar wel eens wat is overschat. Zo ja, zou dat dan ook in Nederland zelf gebeuren?

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad.