‘Ik ga niet eventjes zeggen hoe het moet’

De nieuwe minister van VROM, Jacqueline Cramer, gaat drie accenten leggen: energiebeheer, duurzaam produceren en bestrijden van de ‘verrommeling’.

Nederland moet „schoner en mooier” worden. Dat is het doel dat de nieuwe minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), Jacqueline Cramer, zichzelf heeft gesteld.

Cramer is al vanaf haar zestiende jaar geïnteresseerd in milieu. Zij studeerde biologie aan de Universiteit van Amsterdam en was hoogleraar milieumanagement en hoogleraar duurzaam ondernemen. Zij werkte bij TNO, was kroonlid van de SER, lid van de Raad voor Verkeer en Waterstaat en adviseerde bedrijven als Philips en Akzo Nobel over duurzaam ondernemen.

Gisteren presenteerde de nieuwe minister haar programma voor de komende vier jaar, met als belangrijkste accenten het verantwoord omgaan met energie, het stimuleren van duurzame producten en het bestrijden van de ‘verrommeling’ van Nederland. Vanavond spreekt zij daarover met de Tweede Kamer.

Is dit de ideale baan voor iemand met zo’n milieuverleden?

„Nou, ik zit hier niet met het gevoel dat ik wel eventjes zal zeggen hoe het moet. Maar we moeten wel met elkaar resultaten boeken. Ik kan strategisch beleid maken en daarbij mensen uit eerdere werkkringen betrekken. Maar ik kom niet uit de politiek.”

Ziet u op tegen het politieke werk?

„De politiek is mij niet helemaal vreemd. Ik ben niet voor niets lid van de PvdA geworden en ik heb ook mee geschreven aan verkiezingsprogramma’s. Nieuw is voor mij vooral het omgaan met de media. Ik heb er zelf overigens geen moeite mee om vanuit de inhoud de politiek in te gaan. ”

In het vorige kabinet was er geen minister van milieu. Wat is er veranderd?

„Er is nu meer aandacht vanuit de politiek voor milieu. Maar daar is een proces in de maatschappij aan vooraf gegaan. Ik ben zelf al vijftien jaar bezig met duurzaam ondernemen. Steeds meer bedrijven en mensen zijn gaan meedoen. In zekere zin kan de politiek niet anders dan op een gegeven moment gehoor geven aan de wens van de samenleving tot een meer duurzame ontwikkeling.”

Wat verstaat u onder duurzame ontwikkeling?

„Het gaat om het in balans brengen van sociale, ecologische en economische aspecten van groei. People, planet, profit. Het kost traditioneel meestal weinig moeite de economie in het oog te houden. Maar ook met sociale en ecologische aspecten moet rekening worden gehouden. Milieu moet niet iets zijn waar je achteraf nog eens mee te maken krijgt, daarop gewezen door altijd maar weer diezelfde milieumensen. ”

Kunnen we almaar blijven groeien en dankzij slimme technieken tegelijkertijd het milieu sparen?

„We groeien wereldwijd door een beroep te doen op energie en grondstoffen. De welvaart stijgt. Meer mensen delen in de welvaart zodat er nog meer grondstoffen en energie nodig zijn. De vraag is dus hoe je die groei bijhoudt. Je kunt veel doen door slimme en zuinige producten te maken. Maar inderdaad zal ook een gedragsverandering nodig zijn. Daar is een wereld te winnen.”

Hoe denkt u de mentaliteitsverandering tot stand te brengen?

„Het valt mij op dat jonge mensen dat woord nooit gebruiken. Jonge mensen zijn veel pragmatischer. Als ze het milieu als een groot probleem zien, dan verzinnen ze iets. Dan gaan ze bomen planten of iets dergelijks. Er zijn discussiegroepen op internet. Er wordt op festivals gedebatteerd over politiek. In de jaren zeventig moest je daar niet mee aankomen, daar was het alleen muziek luisteren. Dus ja, een mentaliteitsverandering. Die ga ik niet opleggen, maar wél stimuleren.”

U wilt de ‘verrommeling’ van Nederland tegengaan en nadere spelregels voor de ruimtelijke ordening. Gaat u de decentralisatie terugdraaien?

„Er is veel vrijheid en experiment geweest. Als dan blijkt dat gemeenten ieder voor zich altijd weer kiezen voor de aanleg van een nieuw bedrijventerrein in plaats van voor veel geld een oud terrein op te knappen zodat we nu met al die blokkendoosjes langs de snelwegen zitten, dan moeten we het experiment niet mislukt noemen, maar de spelregels wat veranderen. Ik ga niet het ruimtelijk beleid op z’n kop zetten. Maar de gemeenten zullen meer moeten samenwerken. We moeten meer uitgaan van krachtige, leefbare regio’s dan van krachtige steden.”

U wilt de Nederlandse inbreng in de EU en de wereld vergroten. Wat bedoelt u daarmee?

„Wij zijn als land zodanig gepositioneerd dat veel milieuvervuiling van het buitenland bij ons terechtkomt, als in een afvalputje. Bovendien zijn we zelf een geïndustrialiseerd land. En we wonen met veel mensen op een kleine postzegel. Ik bedoel dus niet dat we wat betreft het aanscherpen van normen een Europese koploper moeten worden. We mogen al blij zijn als wij de normen halen. In sommige andere landen is het halen van de normen voor luchtkwaliteit een eitje. Bij ons niet.”

Dus als de norm voor Nederland haalbaar is, dan is het een goede Europese milieunorm?

„Inderdaad. Als zelfs Nederland er in slaagt de norm te halen, dan is het een goede norm. Dat moeten we in Brussel duidelijk maken.”

Gaat het Nederlandse milieuvingertje weer omhoog?

„Wat wij westerlingen in andere landen hebben veroorzaakt met onze behoefte aan grondstoffen en energie, kan soms desastreus zijn. Dat beseffen wij in Nederland goed. Wij zijn verder in het denken daarover dan andere landen. En dus denk ik dat Nederland het voortouw zou moeten nemen, bijvoorbeeld als het gaat om het vaststellen van criteria waaraan de bosbouw elders voor onze biomassa zou moeten voldoen. Ook bij het denken over biodiversiteit kan Nederland een grotere rol spelen. Europa heeft een ongelooflijke aanslag gepleegd op de biodiversiteit in de wereld door het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Ook nu gaan er tropische oerwouden verloren omdat er soja wordt verbouwd dat in ons veevoer wordt verwerkt. Daar moeten wij verantwoordelijkheid voor nemen.”