Excuses en troost

De Japanse premier Shinzo Abe heeft excuses aangeboden voor het feit dat Japan in de Tweede Wereldoorlog gevangen vrouwen tot prostitutie heeft gedwongen. Hij zei het zo: „Ik bied hier en nu mijn verontschuldigingen aan als eerste minister.” Van harte gaat dat natuurlijk nooit. Eerst moest de hele wereld op z’n rug kloppen. Toen kwam het er uit. Je excuses maken klinkt schuldbewuster en introspectiever dan het meestal is. Alsof je na herweging van het verleden tot inkeer bent gekomen en autonoom besluit iets recht te zetten om je geweten te zuiveren.

Dat zou wel heel mooi zijn. Eigenlijk worden excuses altijd afgedwongen. Iemand wijst je op de feiten en je probeert ze uit alle macht te weerleggen, goedschiks of kwaadschiks, en als je alles hebt geprobeerd en niets biedt meer uitstel, dan ga je met een enorme tegenzin over tot de capitulatie en geef je toe, vaak nog alleen woordelijk, zonder werkelijke overtuiging, om er gewoon maar van af te zijn: „Het spijt me” (dat ik de fiets heb laten jatten. Ik had hem inderdaad niet op slot gezet. Vaak gevolgd door: Heb je nou je zin? En het spijt me ook dat ik besta. En dat ik niet zo geweldig eerzaam en verstandig ben als jij die het slot al dicht hebt voordat je bent afgestapt.) Het liefst roept zo’n Japanse premier op de valreep nog een commissie in het leven om de kwestie nog drie jaar te onderzoeken. Daar zijn wij in Nederland ook goed in.

De waarde van excuses liggen niet bij de aanbieder, die ze, in een hoek gedreven, terug heeft geëchood, maar bij de ontvanger, voor wie de schuldbekentenis niet alleen een opluchting is, maar ook een blijk van moreel respect. Daarom moest ik na het Japanse excuus meteen aan Betsie denken, 85 jaar oud. Betsie, in haar huis, waar een onverwachte klop op de deur haar nog steeds de stuipen op het lijf jaagt. Zij was een troostmeisje. Het gaat om háár. Vanaf 26 februari 1944 werd zij in een nieuw te openen bordeel in Semarang, Indonesië, gedwongen zich te prostitueren voor de Japanners.

De data liggen, net als veel andere feiten, verankerd in haar geheugen, om de waarheid over de ellende die haar is aangedaan geen mogelijkheid tot ontsnappen te geven. Ze was 22 jaar oud en maagd. Eerst kwamen er hoge Japanse militairen op bezoek die de troostmeisjes een voor een verkrachtten. Vanaf 1 maart 1944 kwamen de soldaten. Dag in dag uit. Elke keer die klop op de deur. Na tweeënhalve maand werd ze herenigd met haar moeder in een jappenkamp in Buitenzorg. Haar vader en broer waren ergens anders in Indonesië gedetineerd en die heeft ze nooit meer gezien.

Later, in Nederland, was er nauwelijks begrip voor wat zij had meegemaakt, want „ze hadden het hier ook beroerd gehad. Je kon je maar beter een beetje rustig houden. (...) Er was geen ruimte voor mijn verdriet.” Afgelopen zaterdag, nog ongewis van een Japans excuus, vertelde ze in deze krant haar schokkende verhaal, als bewijs van de troostmeisjes, als aanklacht tegen Japan, dat maar niet volmondig de waarheid wilde uitspreken: het is zo en het spijt ons. „Wat ik heb meegemaakt, zal altijd bij mij blijven. Maar het zou zoveel schelen als er eindelijk eens een einde aan de ontkenning zou komen.” Op de foto bij het artikel een oude vrouw, met dik, spierwit haar. Ze houdt haar mooie, gerimpelde handen voor haar gezicht, alsof ze verstoppertje speelt, nog steeds beschaamd over wat haar is aangedaan. Eens verkracht blijf verkracht. Hier en nu zit ze aan de keukentafel en krijgt ze eindelijk, na 63 jaar, de excuses aangeboden over toen en daar. Ze huilt. En ze is blij dat ze dit nog mag meemaken, want na de excuses smaakt de troost zoeter.