Europa is geen ‘mens erger je niet’

Europa is geen ‘Mens erger je niet’

Volgens Luuk van Middelaar (‘Europa blijft op zoek naar publiek’, Opinie & Debat, 17 maart) is het grootste probleem van Europa’s ‘midlifecrisis’ (term van The Economist) de vraag hoe de Europese bevolking tot een geïnteresseerd publiek te maken van het Europese politieke spel. Hij stelt dat er binnen de westerse politieke traditie twee antwoorden op die vraag voorhanden zijn: de ‘Griekse route’ van het kweken van burgerschap, of de ‘Romeinse’ van het voorzien van brood en spelen. Beide routes zijn volgens Van Middelaar reeds schoorvoetend bewandeld, maar vooralsnog zonder enig succes: de rechten verbonden aan het Europese burgerschap vinden maar nauwelijks weerklank, het verschaffen van brood heeft vooral tot demonstraties van boze boeren geleid, en vermakelijke spelen zijn in Brussel slechts zelden te aanschouwen.

De klassieke penvoerders van deze westerse politieke traditie zouden hun wenkbrauwen echter diep fronzen bij het lezen van Van Middelaars analyse. Van Aristoteles tot Cicero is burgerschap immers nooit in de beperkte bewoordingen gevat die Van Middelaar bezigt, in de zin van het passief genieten van een aantal rechten. Burger word je daarentegen pas wanneer je daadwerkelijk je stem laat horen op het politieke toneel, wat Machiavelli (die zijn avonden niet ledig doorbracht) vivere civile noemde: niet de door Van Middelaar geroemde mogelijkheid om een tweede huisje te kopen op het Franse platteland, maar de actieve participatie in debat en besluitvorming. Dát recept is binnen de Europese Unie echter nog nimmer beproefd. En het was uit kritiek op het gebrek aan dergelijk actief burgerschap dat Juvenalis zijn satirische pijlen richtte op hen die zich in de Romeinse Republiek enkel interesseerden voor ‘brood en spelen’ terwijl ze de politiek zelf delegeerden aan machtswellustelingen en bureaucraten.

Volgens deze Grieks-Romeins-humanistische traditie (en is er een andere, even vruchtbare, filosofische bron waaruit Europa kan putten?) is het probleem dus niet hoe tot een Europees publiek te komen, maar hoe de scheidslijn tussen de bevoorrechte spelers van het politieke spel en de passieve toeschouwers te slechten, en zo iedereen een plaatsje aan het speelbord te gunnen. Een tweede referendum zoals Van Middelaar dat beoogt zal voor dat probleem geen oplossing aandragen. Zijn voorstel zou in het beste geval enkel leiden tot een berustend publiek dat lijdzaam toeziet hoe de poppetjes over het veld bewegen, zo nu en dan kalmerend toegesproken door de zalvende woorden van een politicus. Maar Europa is geen ‘Mens erger je niet’. Europa is een, soms bloedserieus, soms haast ludiek gezelschapsspel dat enkel kans van slagen heeft wanneer eenieder erbij betrokken wordt, en spelers en publiek elkaar voortdurend aanvullen en afwisselen. Alleen dan maakt de grijzende dame kans op een voorspoedige tweede jeugd.

Arthur Weststeijn

promovendus aan het Europees Universiteits Instituut in Florence

Natiestaat in de buitenspelval

Naast de grote broeken en het fatsoenlijke juichen, wat valt er op aan een voetbalwedstrijd van 50 jaar geleden? Juist, het spel wordt anders gespeeld. Geconfronteerd met een steeds veeleisender publiek, zag de internationale voetbalfederatie zich namelijk genoodzaakt de spelregels van tijd tot tijd aan te passen. Een logische gedachte: zonder publiek immers geen spel.

Zo niet Luuk van Middelaar. Hij stelt het publiek bij het Europees spektakel voor de keuze: meedoen of gaan vissen. Het kan immers „de spelers veranderen, maar het spel niet”. Hij gaat hier echter aan een belangrijk punt voorbij: het feit dat het publiek een ingrijpende transformatie doormaakt en andere eisen stelt aan het spel. Dat moet dan dus worden aangepast.

Terecht haalt Van Middelaar „de breuk van 1989” aan als moment waarop Europa zich gezamenlijk begon te weren tegen „de schokken van buiten”.

Hij vergeet echter de naschokken onder de bevolking. Deze is sinds de verdwijning van de ideologische verdeling van het continent op zoek naar identiteit. En in een wereld gedomineerd door multinationale corporaties, multiculturalisme, en virtuele ‘tweede levens’, wordt deze minder snel gevonden bij de natiestaat (de term zelf een schoolvoorbeeld van wishful thinking).

Daarentegen neigt men te midden van dit homogeniserende geweld, zo wordt verondersteld, instinctief terug te vallen op meer nabije roots. Zeker in de wat grotere landen, vaak culturele lappendekens van origine, heeft dit geleid tot een opkomst van regionale sentimenten.

Bovendien worden we steeds mondiger. In tegenstelling tot 50 jaar geleden, toen het landsbestuur werd toevertrouwd aan wijze oude heren in deftig driedelig, eisen we tegenwoordig meer verantwoording van hen die over ons regeren. Vanwege de groeiende beschikbaarheid van informatie, immers, zijn we niet alleen zelf een stuk wijzer geworden, ook eisen we in toenemende mate op de hoogte gehouden te worden. ‘Transparantie’ is het nieuw gevonden toverwoord dat korte metten moet maken met achterkamertjes en gesloten deuren.

Informatie is macht, luidt een oude wijsheid, en zoals eerder de drukpers de waarheid er van demonstreerde (met alle gevolgen van dien), zo zal het internet een vergelijkbaar emanciperende invloed hebben. Maar het internet is meer dan een bron van informatie alleen. Zeker de tweede generatie webpagina’s (Web 2.0) biedt de gebruiker tal van mogelijkheden zijn (on)genoegen te ventileren. Zo transformeert de geëngageerde burger zich van passieve ontvanger tot creatieve participant.

Zo zullen overheden van elke snit in toenemende mate rekening moeten houden met deze aanstormende burgeremancipatie; iets wat de EU op spectaculaire wijze verzuimt te doen.

Toch is een Europese overheid noodzakelijk willen we niet weggedrukt worden door de globaliseringsmolen. Wil deze de burger van morgen echter tegemoetkomen in mate van zelfbeschikking en transparantie, dan zal ze zich moeten beperken tot de meest dringende grensoverschrijdende problematiek.

Het dagelijkse leven zal daarentegen zo dichtbij mogelijk bestuurd moeten worden. En zo lijkt het publiek het spel van morgen te maken, waarbij het de natiestaat is die glashard de buitenspelval in loopt.

Philip Ebels

studeerde Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit van Siena,

Brussel