Doodsangst

De ontzetting van Maarten Ducrot heeft iets aandoenlijks. Hij voelt de pijn van de renner die op het asfalt ligt te creperen als zijn eigen pijn. Dat is goed. Maarten is de ideale verslaggever als het op het verslaan van valpartijen aankomt. Mooier nog, Maarten kondigt de valpartijen ruim van te voren aan. De kijker hoeft alleen nog wat verder naar het puntje van zijn stoel te kruipen om het drama in al zijn volheid te zien ontwikkelen. Wat hij perfect weet over te brengen is de angst.

Beter nog, de herinnering aan zijn eigen angst. Hij verslaat de wedstrijd met de vingers aan de remmen.

Toen ik zaterdagmiddag de televisie inschakelde hoorde ik het al aan zijn stem: het is niet pluis in Milaan-Sanremo. En ja hoor, daar zag ik ze over het wegdek stuiteren. Het leverde wel meteen een vertederend beeld op. Een oud moedertje boog zich zorgzaam over een coureur die in het gootje geschoven was. ‘Die weet tenminste wat zo’n jongen nodig heeft’, verzuchtte Maarten aangedaan. Voor hem was de wedstrijd een bezoeking. Ze vielen bij bosjes en ze vielen hard. Wellicht komt het zijn gemoedsrust ten goede wanneer de NOS hem voortaan vrijaf geeft op de dag van de gevaarlijkste koers.

Alle oud-renners lijden aan het Syndroom van Ducrot. Kijken naar wielrennen vinden ze gevaarlijker dan het wielrennen zelf. Ik vermoed dat dit komt door het ontbreken van controle. Wie televisie kijkt heeft geen stuur in handen. Die is overgeleverd aan de stuurmanskunst van een ander. Op de bank ben ik een zeer beroerd daler.

In de Tour van 1995 sloeg Fabio Casartelli in de afdaling van de Portet d’Aspet met zijn hoofd tegen een betonblok. Nog zie ik hem liggen, roerloos, in foetushouding. Alleen een plas bloed kabbelde verder richting dal. Zijn dood opende, plotseling en onvoorzien, de rots van mijn eigen begraven doodsangst.

Casartelli had pech. Ik zag hem liggen en tegelijkertijd zag ik in een dwingende opeenvolging de momenten waarop ikzelf ontsnapt was aan de vernietiging. Het was een lange reeks. Vier jaar eerder was ik uit het profpeloton geschrapt, Casartelli kende ik niet, maar de symboolkracht van het ongeluk speelde me danig parten. Wielrennen is geen onnozel spel.

Ik had dood kunnen zijn. Misschien had ik wel dood moeten zijn. In de Ronde van Zwitserland ben ik eens in een ravijn gedonderd. Ik meen dat ik dit moment eerder heb beschreven. Het balanceren op de rand, het overschrijden van de rand, de simpele vaststelling: o, nu is het mijn beurt.

Op dat moment voelde ik me net Wile E. Coyote uit Looney Tunes die in achtervolging op Road Runner over het randje van het ravijn schiet, anderhalve seconde blijft hangen om de diepte te monsteren, en met een sullige blik in de camera erkent dat er voor het moment niets anders opzit dan neer te storten.

De angst vond ik pas elf jaar later terug, op het asfalt van de Portet d’Aspet.