Te grote harde kern van kansarmen

Rotterdam voert met zeven achterstandswijken de landelijke probleemlijst van minister Vogelaar aan. „Het begon al toen de havenbaronnen naar Wassenaar verhuisden.”

Terwijl Amsterdam jarenlang de hand op de knip, bleek Rotterdam een gulle gever. Hoeveel heeft Amsterdam bijvoorbeeld bijgedragen aan de ontwikkeling van de luchthaven Schiphol? Grijnzend geeft Dominic Schrijer, de Rotterdamse PvdA-wethouder voor Werk, Sociale Zaken en Grotestedenbeleid, het antwoord op de door hem zelf opgeworpen vraag: „Geen stuiver.”

Nee, dan Rotterdam. Decennialang pompte het stadsbestuur miljoenen in wat tot voor kort nog ’s werelds grootste haven was, betoogt Schrijer. „Vanuit de gedachte: als het goed gaat met ons economische kroonjuweel, dan gaat het goed met de stad. Terwijl na de oorlog al vrij snel duidelijk was dat de haven door de voortschrijdende modernisering niet meer de ‘banenfabriek’ van weleer was.”

Schrijer was acht jaar lid van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois in Oud-Zuid, een van de zeven Rotterdamse achterstandswijken op de lijst van minister Ella Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA). Als geen ander kent hij, zelf woonachtig in Rotterdam-Zuid (Heijplaat), de oorzaken en achtergronden van „vrijwel alle sociaal-economische problemen die zich samenballen in deze stad, vooral op Zuid”.

Volgens zijn collega-wethouder Jantine Kriens van Volksgezondheid, Welzijn en Maatschappelijke Opvang telt Rotterdam (584.356 inwoners) naar schatting 15.000 huishoudens die langdurig en vaak van de ene generatie op de andere afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering. De doorstroom naar een inkomen uit arbeid stagneert, al jaren. „In Rotterdam is het probleem bovenmaats omdat er historisch gezien altijd al een omvangrijke harde kern van laagopgeleiden en laagbetaalden geweest is”, zegt Kriens, die in vier jaar bijna 14 miljoen euro uittrekt voor armoedebestrijding.

Ter verklaring van de economische achterstandspositie van Rotterdam wordt vaak gewezen op de ‘witte vlucht’ van de autochtone middenklasse, vanaf het begin van de jaren zeventig. „Maar de sociaal-economsiche uitholling begon veel eerder, met het vertrek van de havenbaronnen”, zegt Schrijer. „De haven trok eind negentiende, begin twintigste eeuw vooral ongeschoolde arbeiders uit Brabant en Zeeland. Die deden relatief dom en smerig werk, waarvan de elite zei: prima, maar die troep uit die schepen niet voor mijn voordeur. En dus vertrokken ze en masse naar Wassenaar.”

Maar de grootste klap volgde inderdaad in de jaren zeventig, toen de tot middenklasse opgeklommen arbeiders massaal uitweken naar omliggende randgemeenten als Barendrecht, Ridderkerk en Berkel en Rodenrijs. Schrijer: „Een mooi voorbeeld van de sociaal-democratische droom van de verheffing van het proletariaat. Maar met voor de stad dramatische gevolgen.”

Mede door de scheve bevolkingssamenstelling heeft Rotterdam de slag gemist, constateerde econoom en hoogleraar Arie van der Zwan drie jaar geleden in een uitgave van de Wiardi Beckman Stichting, getiteld Rotterdam. Omdat van een ideale arbeidsmarkt geen sprake (meer) was, trokken investeerders weg. Bij gebrek aan een belangrijk scholingstraject in de vorm van werk gleed, aldus Van der Zwan, de onderkant van de arbeidsmarkt nog verder af.

Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich veel havenarbeiders bezuiden de Nieuwe Maas, in betaalbare woningen in wijken als Pendrecht, Tarwewijk en Heijplaat. Na de modernisering van de havenbedrijven belandden velen in de bijstand. Daar bovenop kwam de massale instroom, ingezet vanaf het begin van de jaren zeventig, van laagopgeleide en dus kansarme allochtonen. „Zuid werkte als een magneet op de onderklasse”, stelt Schrijer. „Met als gevolg een concentratie en daarmee versterking en accumulatie van de kansarmoede.”

Die scheve bevolkingssamenstelling in Rotterdam laat zich volgens Schrijer anno 2007 vergelijken met „een soort platgeslagen ui”: een kolossale onderklasse, een kleine middenklasse en „een vrijwel non-existente bovenlaag”. Officiële cijfers bevestigen dat beeld. Slechts één op de drie werknemers woont ook daadwerkelijk in Rotterdam, daar waar dat in Amsterdam één op één is.

Rotterdam werkte de problemen deels in de hand door jarenlang kunstmatig vast te houden aan de bestaande woningvoorraad, die wordt gedomineerd door relatief veel goedkope, sociale woningbouw. Aangemoedigd door de regerende PvdA-elite, voor wie „betaalbaar wonen voor Jan met de pet” volgens Schrijer heilig was. De heersende bestuurscultuur werkte daarbij ook niet in het voordeel van de stad. „Wij Rotterdammers lossen het wel op – dat was de moraal”, zegt Schrijer. Het tegendeel bleek waar. Uit recent onderzoek van onder meer het Verwey Jonker Instituut blijkt dat in Rotterdam maar liefst 60 procent van de kinderen opgroeit in een probleemwijk. „Die beginnen dus al met een ongelooflijke achterstand”, zegt Schrijer.