Rijnvos is weer wat verder in New York

Concert: Radio Kamer Filharmonie en Cappella Amsterdam o.l.v. Stefan Asbury. Gehoord: 24/3 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 27/3 20 uur.

Onverstoord en in zichzelf gekeerd ontspon zich In de ZaterdagMatinee Aldo Clementi’s L’orologio di Arcevia (1975-’6). Als een broos speeldoosje dat zich – volgens het eeuwenoude principe van de canon – van zacht naar nog zachter bewoog, en weer terug.

De muziek van de Italiaan Clementi (1925), vaak bedrieglijk eenvoudig, is hier zelden te horen. Wel maakte het Ives Ensemble een indrukwekkende cd met zijn muziek (‘Madrigale’). Ongetwijfeld was het componist Richard Rijnvos, ook verbonden aan het Ives Ensemble, die nu een goed woordje deed voor Clementi, volgens hem ‘een van de belangrijkste levende componisten.’

Rijnvos’ eigen NYConcerto (2006), in veel opzichten het tegendeel van Clementi’s verstilling, werd voor het eerst integraal uitgevoerd, nadat in 2005 al eens los het tweede deel, Central Dance in the Park was gespeeld. Het complete driedelige concert is weer onderdeel van een nog te voltooien zesluik over het leven in New York.

In zijn intelligente manier van citeren toont Rijnvos zich erfgenaam van Stravinsky. Gershwin, Ives, Monk: ze komen alle voorbij, en toch houdt hij zelf duidelijk de controle over het rusteloos voortdenderende stadsvisioen. Virtuoos is het einde van het eerste deel, Grand Central Dance, waar elementen uit Gershwins Rhapsody in Blue in een stijgende draaikolk van baspizzicato’s naar een abrupte stilte worden gezogen.

Op een hoger niveau krijgt Rijnvos’ muziek veel spanning en energie door de confrontatie van tegengestelde krachten. In het tweede deel,Central Dance in the Park (naar Ives’ Central Park in the Dark, waaruit enkele maten voorbijkomen) blijft de muziek lokaal horten en stoten, terwijl het geheel toch een onmiskenbare ritmische drive krijgt, die zelfs uitmondt in een gejaagd walsje.

In alle onstuimigheid kon dirigent Stefan Asbury niet voorkomen dat de Radio Kamer Filharmonie solist John Snijders geregeld overstemde. Toch was te horen dat Snijders de muziek van Rijnvos kent als weinig anderen: het klonk allemaal even soepel en gedecideerd.

Stravinsky’s Symfonie in C (1939-’40) kreeg een opgeruimde, maar daardoor ook weinig urgente uitvoering. Tania Kross zong overtuigend – vooral in de lagere registers – in Louis Andriessens Hadewijch (1988), een zetting van visioenen van deze dertiende-eeuwse mystica, vol erotische ondertonen (‘Al mijn leden voelden de Zijne tot hun hoogste voldoening.’) Het orkest trof hierbij precies de juiste broeierig-rituele klank.