Rechters en OM zijn niet onfeilbaar

In het artikel ‘Strafkamer van Hoge Raad voldoet niet’ pleitten wij ervoor om naar Brits model een nieuwe commissie een rol te laten spelen bij herzieningen van strafrechtelijke veroordelingen (Opiniepagina, 13 maart). Wij vinden dit nodig omdat het zelfreinigend vermogen van het Nederlandse Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht tekortschiet.

In zijn reactie ‘Nieuw orgaan voor herziening strafzaken overbodig’ stelt Harm Brouwer, voorzitter van het College van procureurs-generaal, dat er geen onafhankelijke commissie nodig is (Opiniepagina, 16 maart). Het is voldoende om de criteria van de Hoge Raad te verruimen door herziening ook toe te staan als er sprake is van een nieuw wetenschappelijk inzicht.

Dat lijkt ons geen enkele verbetering, omdat dit al door het oude novumcriterium wordt gedekt. Brouwer houdt het kennelijk voor onmogelijk dat rechters gewoon de plank misslaan.

Sinds de jaren ’90 hebben wij vele dubieuze zaken aan de orde gesteld. Maar laat ons nog even stilstaan bij de Schiedamse Parkmoord. Het onderzoek van het Openbaar Ministerie gebeurde pas nadat eerst alle signalen dat Kees B. onschuldig was, waren genegeerd. De commissie-Posthumus constateerde dat zowel de officier van justitie als de advocaat-generaal had geweten dat er op het moordwapen DNA was gevonden, dat zeker niet afkomstig was van de verdachte. Die informatie hebben zij geheim gehouden tegenover de rechter en tegenover de verdediging.

Wat Posthumus niet vertelde, is dat deze advocaat-generaal in haar requisitoir zelfs beweerde dat DNA-onderzoek van het moordwapen niets had opgeleverd. Zij jokte. Of zij dat inderdaad willens en wetens deed, noemt Brouwer in zijn stuk „een moeilijke juridische afweging”, waarover wij als buitenstaanders ons niet zouden mogen uitlaten. Waarom niet?

Posthumus zweeg ook over het feit dat de onderzoeker van het NFI, wiens ontlastende bevindingen de rechter niet hadden bereikt, vervolgens in cursussen aan vele leden van de rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie en de politie is gaan uitleggen waarom het DNA erop wees dat de verkeerde persoon was veroordeeld. Iedereen hield zijn mond.

Gaan wij te ver als wij concluderen dat er wel degelijk iets mis is met het zelfreinigend vermogen van Openbaar Ministerie en rechterlijke macht?

Brouwer stelt ook dat er niet veel mis kan zijn, omdat er maar zo weinig zaken bij de commissie-Posthumus II zijn aangemeld. Hij vertelt daar niet bij dat de eisen voor het aanmelden van zaken bij die commissie onredelijk streng zijn, en dat politiefunctionarissen geen enkele zaak hebben voorgedragen, omdat zij voor hun carrière vrezen.

Het belangrijkste argument is echter dat het voorstel van Brouwer te laat komt. Wat Justitie na een eeuw uiterst restrictief beleid niet zelf wilde voorstellen, zou nu onder maatschappelijke druk worden afgedwongen. Deze plotselinge toegevendheid accentueert alleen maar dat de strafkamer van de Hoge Raad zich al die tijd te zeer aan de letter van de wet heeft gehouden en weinig oog heeft voor maatschappelijke opvattingen over wat de burger van de rechtsstaat mag verwachten.

Dr. Hans F.M. Crombag is emeritus hoogleraar rechtspsychologie, dr. Han Israëls is docent rechtspsychologie en dr. Peter J. van Koppen is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht. Dr. Willem Albert Wagenaar is emeritus hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Utrecht.

De artikelen ‘Strafkamer van Hoge Raad voldoet niet’ en ‘Nieuw orgaan voor herziening strafzaken overbodig’ zijn na te lezen op www.nrc.nl/opinie