Oud

Wij (samen 150 jaar) komen terug van een dinertje met vrienden in Amsterdam. We nestelen ons rond middernacht in een lege eerste klas wagon, moe en voldaan, naast elkaar in de kussens. Onze handen en vingers vinden bij elkaar zachte plekjes huid en we wisselen allerlei tedere onzin uit.
Als we daar zo’n vijf of tien minuten mee bezig zijn, verschijnt er een hoofd naast een van de zitplaatsen voor ons. Een student die we niet hadden opgemerkt. Hij zegt: „Ik heb me dat wel eens afgevraagd, maar het houdt dus nooit op als je oud wordt?”