Nieuw EU-verdrag is nodig, maar democratie in Europa is urgenter

Om de afstand van de burger tot Europa te verkleinen moet zo snel mogelijk gewerkt worden aan een Europese democratie, die op dit moment niet bestaat, vindt

Ben van der Velden.

Al vijftien jaar draait de Europese Unie hetzelfde rondje. In 1991 stelde het Europa van nog twaalf landen hervormingen in het vooruitzicht die nodig waren om nieuwe lidstaten te kunnen opnemen. Daarna werd met de verdragen van Amsterdam en in Nice in 1997 en 2000 tevergeefs geprobeerd om het eens te worden over een nieuwe inrichting van de Europese Unie. Met de Verklaring van Berlijn hebben de Europese regeringsleiders gisteren 2009 als deadline gesteld. Of het deze keer eindelijk zal lukken is onzeker.

Dat heeft niet alleen te maken met verschillen van mening tussen de intussen zevenentwintig Europese lidstaten over het nieuwe verdrag. Dit moet in de plaats komen van het Grondwettelijk Verdrag, dat twee jaar geleden sneuvelde bij referendums in Frankrijk en Nederland. De onzekerheid houdt ook verband met de beperkte betrokkenheid van veel Europese burgers bij het Europese project.

De Duitse bondskanselier, Angela Merkel, heeft als voorzitter van de Europese Unie gisteren bij de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome in een gloedvol betoog opgesomd wat met de Europese integratie bereikt is. Vrede, welvaart, de hereniging met voormalige communistische landen in Centraal-Europa, een gemeenschappelijke munt en een gezamenlijke aanpak van uiteenlopende kwesties als milieuverontreiniging en terrorisme. Ze heeft daar gelijk in. Maar dat lost het probleem niet op dat hoe meer onderwerpen terecht op Europees niveau behandeld worden, hoe meer burgers het gevoel hebben geen greep op de besluitvorming te hebben.

De aankondiging van het Nederlandse kabinet vorige week dat het geen Europese ‘superstaat’ wil, brengt een oplossing voor dit probleem ook niet dichterbij. Nog nooit heeft iemand zo’n ‘superstaat’ bepleit. Het Grondwettelijk Verdrag ging precies in de tegengestelde richting door de Europese regeringsleiders een zwaardere rol te geven en de positie van de Europese Commissie te verzwakken. De opmerking over de ‘superstaat’ is niet meer dan lippendienst aan de oppositie tegen de Europese integratie.

De kwesties die Nederland in een nieuw verdrag geregeld wil zien, zoals een rol voor nationale parlementen bij de Europese besluitvorming en afbakening van Europese en nationale bevoegdheden, zijn zaken die in het Grondwettelijk Verdrag al geregeld waren.

Aan verdragsteksten kan altijd nog worden geschaafd, maar voor Europa is het belangrijkste dat het kabinet-Balkenende een dubbelzinnig signaal heeft afgegeven: aan de Nederlandse bevolking dat het zich tegen Europa teweer wil stellen, en aan de Europese Unie dat een nieuw verdrag qua inhoud niet veel behoeft te verschillen van het verworpen Grondwettelijk Verdrag.

Nederland is daarmee losgekomen uit de geïsoleerde positie in de buurt van landen als Polen, Tsjechië en Groot-Brittannië, die geen noodzaak voor Europese hervormingen zien. Bondskanselier Merkel waarschuwde gisteren terecht dat het uitblijven van een nieuwe verdragsbasis voor de Europese Unie in 2009 een historische misser zal zijn. Met zevenentwintig landen die op veel terreinen vetorecht hebben, met zevenentwintig eurocommissarissen van wie de helft weinig om handen heeft, kan Europa niet efficiënt functioneren.

In alle Europese hoofdsteden bestaat de vrees dat een nieuw verdrag alsnog kan struikelen bij een referendum in een van de lidstaten. Dat is terecht. Want met uitzondering van Groot-Brittannië, waar de Europese integratie altijd al omstreden is, wordt in de lidstaten alleen op grote schaal over Europa gedebatteerd als er een referendum wordt gehouden. Als een referendum het enige ogenblik is waarop de bevolking greep krijgt op de Europese politiek, is het risico reëel dat er nee gestemd wordt. Dit was te zien toen de Denen het Verdrag van Maastricht afwezen, toen de Franse instemming met datzelfde verdrag kantje boord was, toen de Ieren het Verdrag van Nice afwezen en toen Frankrijk en Nederland nee zeiden tegen het Grondwettelijk Verdrag. De Verklaring van Berlijn verandert niets aan die situatie.

Om de bevolking achter het Europese project te krijgen, is een Europese democratie nodig. Als kiezers hun stem uit kunnen brengen op politieke partijen die programma’s presenteren voor de Europese politiek, dán kan er een Europees Parlement ontstaan met een meerderheid en een oppositie. Het Europees Parlement bestaat nu nog uit nationaal gekozen afgevaardigden. De Europese politieke groeperingen hebben programma’s die alleen dankzij hun grote vaagheid door zeer uiteenlopende nationale partijen worden geaccepteerd.

Het Europees Parlement heeft in de loop der jaren meer bevoegdheden gekregen. Maar het heeft geen greep op de regeringsleiders die als Europese Raad de grote beleidslijnen van de Europese Unie uitzetten. De lage opkomst bij Europese verkiezingen is niet voor niets al jaren een groot probleem.

De grotere rol van nationale parlementen, die al in het Grondwettelijk Verdrag was voorzien, lost het democratische probleem van Europa niet op. Een kiezer die voor een nationale parlementariër stemt vanwege diens Europese standpunten, blijft te ver verwijderd van de compromissen die uiteindelijk in Brussel gesloten worden.

Als er in 2009 een nieuw verdrag komt, zal dat niet voor de komende vijftig jaar de basis van de Europese Unie moeten vormen, zoals bondskanselier Merkel hoopt. Er zal zo snel mogelijk gewerkt moeten worden aan een Europese democratie, die op dit moment niet bestaat.

Ben van der Velden is oud-correspondent van NRC Handelsblad te Brussel.