Frustratie

Het boek van Alain de Botton De troost van de filosofie bevat een hoofdstuk over wat filosofen te zeggen hebben over frustratie. De Botton behandelt verschillende belangwekkende onderwerpen, hij legt uit wat grote denkers als Socrates, Epicurus, Seneca, Montaigne, Schopenhauer of Nietzsche te zeggen hadden over impopulariteit, geldzorgen, onmacht, moeilijkheden, ja, zelfs liefdesverdriet. Als filosofie zo zou worden uitgelegd als Alain de Botton het doet, zou iedereen filosofie zijn gaan studeren.

Maar frustratie dus. In de eerste twee maanden in Suriname (waar ik een jaar probeer door te brengen om een boek te schrijven), verbleef ik in een hotel in het midden van het uitgaanscentrum. Het hotel hoort bij een kroeg, ’t Vat geheten, en die kroeg is eigenlijk een groot terras, met twee grote tenten en wat tafels en stoelen en zeer jeugdig personeel, allemaal studenten van de Anton de Kom Universiteit.

Ongelooflijk populair, ’t Vat, het eten is er slecht en de drank is er duur en iedereen komt er. Nou ja, alle vakantiegangers uit Nederland. Overdag zie je alle blanken, en ’s avonds alle Nederlandse Surinamers. Surinamers zijn nachtmensen.

Dat hotel dat hoort bij ’t Vat heet Zeelandia Suites. Kan ik iedereen aanraden. De kamers zijn ruim en schoon en belangrijker nog: ze zijn voorzien van een ADSL verbinding. Als je je laptop bij je hebt, hoef je nooit meer naar een internetcafé. Kantoor aan huis als het ware. Dacht ik.

Op de feestlust van de Surinamers had ik namelijk niet gerekend. In de hele maand december, tot diep in januari, waren er overal om mij heen feesten. Voor mij speelde het bandje van ’t Vat, rechts van mij was er een café met karaoke waar ze liedjes brulden van André Hazes en Guus Meeuwis (die ik een keer abusievelijk gunstig besprak in deze krant, waarvoor mijn excuses), en links van me was er een disco waar ik alleen de basdreunen van voelde in mijn ingewanden. Wel ADSL, maar zoveel tumult dat ik bang was dat mijn computer het zich persoonlijk zou aantrekken en zou uitvallen.

Ik klagen tegen vrienden uit Nederland, die er trouwens geen been in zagen om heerlijk mee te deinen op de kakofonie, wat ik met plaatsvervangende schaamte moest aanzien, maar er was er eentje die mij een doosje oordopjes gaf. Een wonderbaarlijke rust kwam over mij heen – maar om twee uur ’s nachts, toen alle bandjes ermee ophielden en de dj van de disco links van mij het overnam, sprongen die oordopjes er spontaan uit en trilden mijn ramen zo, dat ik mij zorgen maakte.

Dit deed de dj met opzet, was mijn eerste gedachte, hij heeft het bassknopje zo hard gezet dat oordopjes geen bescherming meer bieden. Mijn tweede oplossing tegen het voortdurende lawaai om mij heen was: zelf veel lawaai maken. Ik ging naar een computerwinkel en kocht geluidsboxen voor mijn laptop. En ik kocht een enorme stoot aan illegale dvd’s bij de Chinees. The constant gardener, Cinema Paradiso (directors cut van drie uur), The Merchant of Venice met Al Pacino en Jeremy Irons, allemaal met Chinese ondertiteling. Niks auteursrechten of intellectueel eigendom, het ging hier om een strijd tussen leven en dood.

Als het feestelijke lawaai begon, zette ik deze films op, de boxjes keihard. Maar het waren maar armetierige boxjes die niet op konden tegen de 130 decibels van drie kanten om mij heen. Verloren strijd.

Toen las ik Alain de Botton, het hoofdstuk over wat onze wijsgeren te zeggen hadden over frustratie: „Om onze rust te bewaren in drukke straten, moeten we ervan uitgaan dat de lawaaimakers niets van ons weten. We moeten een vuurscherm plaatsen tussen het kabaal buiten en een innerlijk gevoel dat we straf verdienen. We moeten niet zonder aanleiding een pessimistische uitleg geven van andermans motieven in bepaalde situaties. Dan zal lawaai niet aangenaam zijn, maar het maakt ons niet meer duivels: buiten mag alles galmen van lawaai, als er hierbinnen maar geen onrust heerst.”

De stellingen die Alain de Botton heeft verzameld over frustratie komen er op neer dat wij ons zonder goede redenen bespot voelen. Het gevoel dat je wensen expres worden gesaboteerd. Ik wenste rust, en de mensen maakten kabaal, met opzet. Om mij persoonlijk het leven zuur te maken.

De hoogmoed die daaruit blijkt moge duidelijk zijn. Als Geert Wilders kwade dingen roept over buitenlanders trek ik het me meteen persoonlijk aan. Alsof hij mij met naam en toenaam zou hebben beledigd. Maar kabaal is altijd dom, en domheid trek ik me altijd persoonlijk aan. Mijn psychiater raadt die instelling af, maar wat weet hij nou?

Na twee maanden feestgedruis verhuisde ik naar een appartement buiten het uitgaanscentrum. Hier is er rust. Te veel rust, mag ik wel zeggen. Er zijn vogeltjes die niet ophouden te kwetteren – Surinamers noemen dat gekwetter ‘zingen’, maar als dat zang is, zingen die vogels in het Chinees, en geloof me, dat is niet aangenaam – en er is een grote tuin die almaar groen blijft.

So far so good, zult u denken, maar het beste moet nog komen: in mijn nieuwe woonwijk valt de stroom weleens uit. Urenlang. Hele dagen. Dan is er geen airconditioner, geen draaiende ventilator, geen televisie, geen computer en geen internet, er is zelfs geen water uit de kraan omdat je in Suriname een elektrische pomp nodig hebt om het water naar kranen te leiden. Nou vraag ik u: is dat geen opzet? Word ik niet persoonlijk gesaboteerd? Zit hier geen kwade bedoeling achter? Alain de Botton kan me wel meer vertellen.

ramdas@nrc.nl