Digitale eenheidsworst

Anonimiteit en collectivisme bedreigen de kwaliteit van het web, stelt Jaron Lanier. Nederlandse internetdeskundigen nuanceren zijn mening: „Wikipedia is superieur.”

Leidt het massale gebruik van 2.0 toepassingen als Wikipedia, MySpace en collectieve nieuwssites tot digitale eenheidsworst? De veelgeprezen wisdom of crowds maakt mensen juist dommer, meent internetpionier Jaron Lanier.

In zijn essay Digitaal maoïsme. De gevaren van het nieuwe online collectivisme, waarvan eerder dit jaar een samenvatting in NRC Handelsblad verscheen, schrijft de Amerikaan dat internetdeskundigen en trendwatchers het collectief te veel bewieroken. Lanier mist bij de collectieve nieuwssites de menselijke inbreng. Ze zijn gevaarlijk, vindt Lanier, omdat ze een verkeerd beeld van het nieuws geven. Het feit dat meer mensen klikken op een artikel over een wereldrecord ijsjes eten – waardoor dat artikel bovenaan komt te staan op een metasite – betekent niet dat dit nieuws belangrijker is dan een bericht over een medische doorbraak op het gebied van suikerziekte.

Hij verzet zich dus tegen het idee dat het web op zich intelligentie vertegenwoordigt. Er zijn tal van sites, zoals Digg en Technorati, die de hoogtepunten uit nieuws of opinie destilleren uit een netwerk van andere sites. Metasites of aggregators worden dergelijke sites genoemd.

Lanier vindt bovendien dat anonimiteit zoals die op Wikipedia is toegestaan een gevaar is voor betrouwbaarheid en kwaliteit (zie kader). Wikipedia doet volgens hem afbreuk aan informatie omdat de context vaak ontbreekt. „Als je de context ziet waarbinnen iets is geschreven en je weet wie de auteur is (...) leer je zoveel meer dan wanneer je dezelfde tekst leest binnen de anonieme, nep-gezaghebbende, anti-contextuele cocktail van Wikipedia”, aldus Lanier.

Wat vinden Nederlandse internetdeskundigen van Laniers ideeën? Internetsocioloog Albert Benschop van de Universiteit van Amsterdam denkt dat Lanier de plank misslaat in zijn kritiek op Wikipedia. „Kennissystemen zoals Wikipedia profiteren niet zozeer van het idee dat het collectief alwetend is. Het bijzondere van ‘zwermintelligentie’ is niet dat de zwerm altijd gelijk heeft, maar dat individuele fouten sneller gecorrigeerd worden. Wikipedia en vergelijkbare kennissystemen zijn dus ‘superieur’ in hun procedurele intelligentie”, concludeert Benschop.

Internetjournalist Francisco van Jole vindt dat Lanier het collectief overschat. „Er is op internet slechts de schijn van collectiviteit”, zegt hij. „Het probleem daarbij is niet zozeer dat het een klein groepje is dat de toon bepaalt, maar dat niemand weet wie dat groepje is, inclusief de leden van zo’n groepje zelf, want die kennen elkaar vaak ook alleen maar als online identiteiten. In die zin beschouwd is er dus echt iets als ‘het net’, een stem die spreekt en waarvan niemand weet waar die vandaan komt of wie hem stuurt. Misschien is internet gewoon de uitlaatklep van de tijdgeest.”

Mark Deuze, hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden, vindt niet dat anonimiteit afbreuk doet aan betrouwbaarheid, zoals Lanier stelt. „We moeten niet vergeten dat anonimiteit in veel gevallen juist een voorwaarde kan zijn om een individueel of uniek geluid te kunnen laten horen.” Als voorbeelden noemt hij een Marokkaanse vrouw die graag vrijuit wil praten over seksualiteit op Maroc.nl of een journalist die zijn bron beschermt om onrecht aan de kaak te stellen.

„Anonimiteit is bovendien een geaccepteerd onderdeel geworden van de digitale cultuur”, zegt Deuze. „Voor veel mensen is hun avatar – hun digitale zelf – net zo werkelijk als de naam die op hun identiteitskaart gedrukt staat. Dat is niet per definitie een probleem voor de betrouwbaarheid van publieke informatie.’’

De eenvormigheid waarvoor Lanier waarschuwt, ziet Deuze niet. „Ik ben het met Lanier eens dat beslissingen genomen door de massa niet altijd de beste zijn. Aan de andere kant wijst niets erop dat mensen in de huidige samenleving niet te horen zijn, of dat door wiki’s en andere web 2.0 toepassingen het individuele karakter van internet verloren gaat.’’

Een bewerking van het essay van Lanier staat op www.nrc.nl/opinie