De weduwe bleef Hitler trouw

De zaterdag overleden ‘Zwarte Weduwe’ Florentine Rost van Tonningen zorgde voor opschudding met haar neo-nazistische uitspraken.

Tot aan haar dood, afgelopen zaterdag in het Belgische Waasmunster, bleef Florentine Rost van Tonningen-Heubel trouw aan het gedachtengoed van Adolf Hitler. Het maakte haar tot een symboolfiguur voor Nederlandse neonazi’s. Haar landelijke bekendheid begon echter pas ver na de Tweede Wereldoorlog, met als hoogtepunt verhitte kamerdebatten in de jaren ’80.

Tijdens de oorlog was ze een relatief onbelangrijke persoon binnen de Nederlandse Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Ze was vooral de echtgenote van NSB-topman Meinoud Rost van Tonningen en baarde drie kinderen, de voornaamste taak van een ‘Germaanse’ vrouw.

Florentine Heubel wordt op 14 november 1914 geboren in Amsterdam, als jongste dochter van een bankier. Tijdens haar jeugd raakt ze geïnteresseerd in de rassenleer. Rassenvermenging is iets wat volgens Heubel moet worden voorkomen, omdat het zal leiden tot de ondergang van het Germaanse volk.

Haar fascinatie voor het fenomeen raszuiverheid leidt tot het lidmaatschap van de NSB. In de jaren dertig is ze actief in het werven van leden voor de NSB-jongerenorganisatie Nationale Jeugdstorm. Tijdens een bijeenkomst van de partij ontmoet ze in augustus 1940 de twintig jaar oudere Meinoud Rost van Tonningen. Hij vraagt haar enkele maanden later ten huwelijk.

Heubel is er niet helemaal zeker van dat Rost van Tonningen bloedzuiver is – ze vermoedt een vleugje Indisch bloed – maar nadat de Duitse SS-chef Heinrich Himmler haar met een telegram heeft gerustgesteld, vindt op 21 december 1940 het eerste Nederlandse SS-huwelijk plaats. Ze zal Himmler later persoonlijk ontmoeten. Hitler laat jaarlijks cadeautjes sturen met Kerstmis.

Meinoud Rost van Tonningen manifesteert zich binnen de NSB als de radicale tegenhanger van leider Anton Mussert, die hij te slap en burgerlijk vindt. Rost van Tonningen is van mening dat Nederland thuishoort in een Groot-Germaans rijk. In september 1940 wordt hij, op voorspraak van de Duitsers, benoemd tot plaatsvervangend leider van de NSB. Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart stelt hem in maart 1941 aan als president van De Nederlandsche Bank en secretaris-generaal van het ministerie van Financiën.

Rost van Tonningen blijft tijdens de bezetting botsen met Mussert. Aan het einde van de oorlog heeft hij het ook verbruid bij de Duitsers. Hij neemt dienst bij de Waffen-SS en wordt gevangen genomen. Op 6 juni 1945 pleegt hij zelfmoord in de gevangenis van Scheveningen, voordat hij zich voor de Bijzondere Rechtspleging heeft verantwoord voor zijn collaboratie. Zijn vrouw meent dat haar man is vermoord in opdracht van prins Bernhard.

De weduwe ijvert voor een onderzoek naar de doodsoorzaak van haar echtgenoot. Dat komt er niet. Ze toont geen enkel berouw over het optreden van de nazi’s tijdens de oorlog. In een interview met De Groene Amsterdammer in 1999 zegt ze alleen dat het ‘jodenvraagstuk’ anders had kunnen worden opgelost. „Hitler had de joden een eigen land moeten geven.” De holocaust ontkent ze echter. „In wezen is geen enkele jood vermoord. In Auschwitz zaten ook niet-joden. Als je de Poolse gegevens nagaat, zijn er iets meer dan achthonderdduizend mensen overleden. Gewoon, aan natuurlijke oorzaken. Het is natuurlijk niet zo dat een kamp een luxe hotel is. Auschwitz was geen vijf-sterrenhotel.”

Haar verering voor Hitler blijft tot aan haar dood in stand. In haar woning in Velp, waar ze tot 2001 woont, zijn meerdere portretten en bustes van de Führer te vinden.

Vanwege haar onverminderde inzet voor de zaak van het nationaal-socialisme krijgt Rost van Tonningen de bijnaam de ‘Zwarte Weduwe’. Haar huis is een geliefde plaats van samenkomst voor Nederlandse neo-nazi’s. Ze zet het consortium De Levensboom op, waarbij leden van de Centrumdemocraten en de Centrumpartij Partij betrokken zijn. Bij invallen in haar huis worden nazistische pamfletten in beslag genomen.

In 1986 ontstaat beroering als blijkt dat Rost van Tonningen een staatspensioen ontvangt, omdat haar man namens de NSB enige tijd lid is geweest van de Tweede Kamer. Een aantal organisaties van oud-verzetsstrijders spant een civiele procedure aan tegen de Staat, om stopzetting of vermindering van het pensioen af te dwingen.

Aanvankelijk krijgen de eisers van de rechter gelijk, maar de Staat gaat om principiële redenen in cassatie bij de Hoge Raad. De regering wil voor dit ene geval geen bestaande wetten aanpassen en vindt dat de rechter over pensioenhoogtes niets te zeggen heeft. De Hoge Raad is het hiermee eens. Tot aan haar dood behoudt Rost van Tonningen haar pensioen.

In 1991 komt ze voor het laatst persoonlijk in aanraking met de rechterlijke macht. In haar memoires Op zoek naar mijn huwelijksring zouden voor joden beledigende passages voorkomen. Ze wordt veroordeeld tot een boete van 5.000 gulden en een gevangenisstraf van vijftig dagen. Ze zegt de boete niet te kunnen betalen, omdat ze moet rondkomen van „een klein pensioentje”.

Florentine Rost van Tonningen wordt waarschijnlijk begraven in Rheden, waar ze enkele jaren geleden een graf heeft gekocht. Op de steen boven het graf staat de spreuk ‘De waarheid maakt vrij’.