De Walle speelt Monte-Cristo met schwung

Toneel: De graaf van Monte Cristo door het Nationale Toneel. Gezien 24 maart Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 9 juni. Inl. 070-3181444 of www.nationaletoneel.nl.

In het toneelstuk De graaf van Monte Cristo toont Stefan de Walle zich wederom een groot acteur die met gemak een groot toneelstuk kan dragen. Eerder deed hij dat al als Cyrano, een vergelijkbare rol: een eenzame man van statuur, het ene moment poeslief, het andere meedogenloos. Humor, harstocht, wanhoop en haat weet de lange man met schwung te mengen.

Le Compte de Monte-Cristo (1846) is het meesterwerk van Alexandre Dumas, een meeslepende avonturenroman van bijna duizend pagina’s dik over een onschuldig veroordeelde zeeman die op spectaculaire wijze uit de gevangenis ontsnapt en na twintig jaar terugkeert, vermomd als puissant rijke graaf, om wraak te nemen op al zijn vijanden. Hij waant zich gelijk aan God en wordt daarvoor gestraft met eenzaamheid. Althans, in de toneelversie die bewerker Sophie Kassies en regisseur Johan Doesburg maken bij het Nationale Toneel.

Dit is lekker ouderwets verhalend toneel zoals je het nog zelden ziet, een epos van vier uur, met korte pauze, tientallen personages, en in de orkestbak het woest trommelende en oosters klarinet spelende eenmans orkest van Harry de Wit. In flink tempo laat Doesburg zijn troupe van dertien acteurs op en af komen, op een vrij lege speelvloer – al zo lang in de mode – met verrijdbare stellages en zwart-wit beschilderde achterdoeken met salons en rotspartijen.

In het spel bouwt Doesburg veel humor en ironie in, met als gevaar dat dit teveel de potsierlijkheid van alle plotwendingen blootlegt. Per verrassing een doodgewaand bastaardkind laten opkomen met zijn wiegelakentje in de hand als bewijsstuk – let op het geborduurde monogram! – behoort tot de gangbare 19de-eeuwse romanconventies, maar op het 21ste-eeuwse toneel leidt het tot enige lacherigheid. De humor komt vooral van Mirjam Stolwijk, die op harde, robuuste toon een cynische, speculerende bankiersvrouw en een Corsicaanse smokkelaar speelt. Verder verdient Camilla Siegertsz alle lof, voor haar rol van Mercédès, de geliefde van Monte-Cristo, die zijn terugkeer met gemengde gevoelens aanschouwt.

Kassys heeft de verhaallijnen gestroomlijnd en aangepast. Het stuk blijft echter plot driven en niet character driven, wat zo zijn nadelen heeft. De complexe verwikkelingen, neergezet in elkaar snel opvolgende scènes, leiden tot kortademigheid. Er is geen tijd om de personages meer vlees te geven.

De belangrijkste wijziging is het vergroten van de love interest en daarmee de rol van Mercédès. Monte-Cristo tracht hun ruw onderbroken liefde te hernemen, maar Mercédès stelt als voorwaarde dat de graaf stopt met zijn wraakactie. Die ingreep levert dramatische meerwaarde doordat Monte-Cristo, anders dan in het boek, weerwoord en een dilemma krijgt: kiest hij voor de god van de liefde of voor de god van de wrake?