Benen in een knik

In de wielersport kun je onsterflijk worden door een val met dodelijke afloop. Een renner weet dat fietsen onlosmakelijk verbonden is met vallen. Je kunt geen zekerheid ontlenen aan een bestaan op twee dunne bandjes.

Al bij de eerste live-beelden van de voorjaarsklassieker Milaan- Sanremo zag ik aan het asfalt dat het geregend had. Het was geen reden om in de remmen te knijpen. Integendeel, het tempo was moordend. Een onzichtbare zweep kletterde boven het peloton. Rijden, verdomme, op naar de venijnige hellingen vlak voor de finishplaats Sanremo.

Tijdens de afdaling van de Capo Berta viel David Kopp. Hij werd van zijn fiets geslingerd en lag in een rare houding stil op het asfalt. De banden van de volgauto’s reden op een paar meter van zijn hoofd aan hem voorbij.

De Italiaanse televisieregisseur besloot de helikopter boven de helling te laten hangen. Van boven zag ik de wielrenner liggen, in geknakte houding. Leefde hij nog?

Maarten Ducrot – hij reed vroeger zelf ook wielerklassiekers - gaf commentaar voor de Nederlandse televisie. Ik hoorde hem op zijn stoel trillen. ‘Dit is verschrikkelijk om te zien, voor zijn familie vooral. We filteren oorlogsbeelden uit Irak. Bij verkeersongelukken zetten we er een zeiltje omheen. Dit kan niet.’

Nou, het kon wel. Sterker nog, er kwam nog een camera bij, vanaf een motor. Kopp lag nog steeds stil. Er kwam een mannetje aan, hij knielde even, keek de renner in het gezicht en begon wild te zwaaien. Was Kopp dood?

Ik hield het thuis niet meer. De camera in de helikopter bleef minutenlang beelden maken. Er kwamen nog meer mannetjes rond het stille lijf staan. Ik zag dat de bidon van Kopp naar de rand van de weg was gerold en stil lag in de goot.

Weegee. Deze scène had de schoonheid van de foto’s van Weegee, een Amerikaanse fotograaf in de jaren dertig en veertig. Hij reed ’s nachts in een oude auto door de straten van New York, luisterend naar een tetterende politieradio. Als hij een melding hoorde van een gewapende overval of een maffiose afrekening scheurde hij op de plaats delict af.

Weegee was er altijd eerder dan de politie. Dat was zíjn sport. Hij zag de lijken vaak als eerste. Lichamen in typische houdingen. Benen in een knik naar buiten. Hoofden voorover tegen de borstkas. Armen onder een zware torso.

De fotoboeken van Weegee staan bij mij altijd binnen handbereik. Wat is de dood toch ontstellend eerlijk en mooi om te zien. Zonder opsmuk toont het lijk ons een bevroren blik van de laatste seconde van het bestaan.

Voor Weegee een foto nam, duwde hij soms een afgevallen hoed met de punt van zijn schoen tot vlak bij het lijk: ‘People like to see a dead man’s hat.’

Mooi gezegd, Weegee. Kon ik vanaf mijn bank de bidon van Kopp maar naast zijn bebloede hoofd schuiven.

We hoeven geen medelijden te hebben met de gevallen renner. Hij wist vooraf waar hij aan begon. Wie in het profpeloton rijdt, weet dat hij kiest voor een flitsend leven maar ook voor een mogelijke afdaling naar de dood.

Zondagochtend hoorde ik dat Kopp de valpartij had overleefd. Hij had een schedelletsel en een gebroken neus. Bofkont. Binnenkort zit hij weer op de fiets en rijdt hij een volgend dodelijk moment tegemoet.